De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 18 maart 2020 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van schuldwitwassen. Verdachte zou in december 2016 een bedrag van €3.955,00 hebben ontvangen dat afkomstig was uit verduistering door zijn dochter. De officier van justitie stelde dat verdachte tekort was geschoten in zijn onderzoeksplicht en dat hij het geld had moeten weigeren.
De verdediging voerde aan dat verdachte niet wist van de illegale herkomst van het geld en dat er geen bewijs was voor opzet of redelijkerwijs vermoeden van misdrijf. Ook was er geen sprake van nauwe samenwerking met de dochter. De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om te concluderen dat verdachte wist of had moeten vermoeden dat het geld uit een misdrijf kwam.
Hoewel verdachte wist dat zijn dochter en haar partner in schuldsanering zaten, ging hij ervan uit dat zij legitiem geld verdienden en een deel daarvan aan de schuldsaneringscurator betaalden. De overboeking van het bedrag was een van de eerste grote aankopen van de dochter, waardoor geen patroon van verdachte transacties kon worden vastgesteld.
De rechtbank sprak verdachte vrij van schuldwitwassen wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard en dient bij de burgerlijke rechter te worden ingediend.