Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[veroordeelde],
Procesverloop
Beoordeling
Toepassing van de wetsartikelen
Beslissing
[veroordeelde]voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van
Rechtbank Noord-Nederland
De rechtbank Noord-Nederland heeft op 20 maart 2020 uitspraak gedaan in de zaak tegen veroordeelde, die werd verdacht van het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet door handel in cocaïne. De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, berekend op basis van de verkoop van cocaïne over een periode van twee jaar.
Tijdens de zitting op 6 maart 2020 verklaarde veroordeelde dat hij per twee weken 70 gram cocaïne kocht, waarvan 40 gram voor eigen gebruik was en 30 gram werd verkocht. De rechtbank baseerde haar berekening op deze verklaring, waarbij de winst per verkochte partij van 30 gram werd vastgesteld op €540, resulterend in een totaal voordeel van €28.080.
De verdediging voerde aan dat de kosten van de gebruikte cocaïne van het voordeel afgetrokken moesten worden, maar de rechtbank verwierp dit omdat de kosten van eigen gebruik niet direct verband houden met het verkregen voordeel. De rechtbank legde veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de staat te betalen en bepaalde de maximale duur van gijzeling op 1080 dagen.
De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer onder voorzitterschap van mr. J.V. Nolta, met mr. T.M.L. Veen en mr. H.R. Bracht als rechters.
Uitkomst: Veroordeelde wordt verplicht tot betaling van €28.080 aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.