ECLI:NL:RBNNE:2020:1209

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
10 maart 2020
Publicatiedatum
16 maart 2020
Zaaknummer
8199399 \ CV EXPL 19-7754
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 RvArt. 6:96 lid 6 BWRichtlijn 93/13
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenvonnis inzake onderbouwing incassokosten en veertiendagenbrieven

Eneco heeft de gedaagde gedagvaard tot betaling van een bedrag van €195,53 met rente en kosten. De kantonrechter heeft in een tussenvonnis geoordeeld dat de dagvaarding onvoldoende onderbouwing bevatte volgens artikel 21 Rv Pro en heeft Eneco bevolen de vordering nader te specificeren en relevante stukken te overleggen, waaronder de overeenkomst, facturen en algemene voorwaarden.

Eneco heeft toegelicht dat de overeenkomst op afstand is gesloten rond eind augustus/begin september 2010 en dat de voorschotnota's tot juli 2018 zijn betaald. Vanaf die datum is de gedaagde in gebreke gebleven. Eneco heeft de hoofdsom voldoende onderbouwd en aangetoond dat er een overeenkomst bestaat.

Verder blijkt uit de stukken dat Eneco tussen 2014 en heden 32 maal incassokosten in rekening heeft gebracht, waarvan een deel is gecrediteerd. De kantonrechter constateert dat niet is aangetoond dat Eneco steeds heeft voldaan aan de vereisten van artikel 6:96 lid 6 BW Pro, zoals het versturen van een kosteloze schriftelijke aanmaning met een betalingstermijn van veertien dagen. Ook is onduidelijk of gedaagde binnen die termijn heeft betaald.

De kantonrechter verwijst de zaak naar de rolzitting van 24 maart 2020 om Eneco alsnog in de gelegenheid te stellen de ontbrekende veertiendagenbrieven en creditfacturen te overleggen. Tot die tijd houdt de kantonrechter iedere verdere beslissing aan.

Uitkomst: De kantonrechter houdt verdere beslissing aan en verwijst de zaak naar de rolzitting voor overleg van ontbrekende stukken.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie Assen
zaak-/rolnummer: 8199399 \ CV EXPL 19-7754
Vonnis van de kantonrechter van 10 maart 2020
in de zaak van
de besloten vennootschap
Eneco Services B.V.,
h.o.d.n. 'Eneco', als gevolmachtigde van de besloten vennootschap
Eneco Consumenten B.V., (voorheen genaamd
Eneco Retail B.V.), de besloten vennootschap
Eneco Warmte en Koude Leveringsbedrijf B.V.en de besloten vennootschap
Stedin Netbeheer B.V.,
allen gevestigd en kantoorhoudende te 3068 AV Rotterdam, Marten Meesweg 25,
hierna te noemen: Eneco,
eisende partij,
gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders B.V.,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [postcode] [plaats] , [adres] ,
gedaagde,
tegen wie verstek is verleend.

1.Procesverloop

1.1.
Eneco heeft bij dagvaarding, op de daarin geformuleerde gronden, gevorderd om de gedaagde te veroordelen tot betaling van € 195,53 met rente en kosten.
1.2.
Op 14 januari 2020 heeft de kantonrechter tussenvonnis gewezen. Dit tussenvonnis dient als ingelast en herhaald te worden beschouwd.
1.3.
Ter zitting van 11 februari 2020 heeft Eneco een akte houdende specificatie van de vordering overgelegd.

2.Motivering

2.1.
De kantonrechter heeft in haar tussenvonnis overwogen dat de door Eneco uitgebrachte dagvaarding onvoldoende informatie verschaft en daarmee niet voldoet aan de eisen van artikel 21 Rv Pro. De kantonrechter heeft Eneco bevolen de vordering nader te onderbouwen, al dan niet gebruikmakend van het landelijke informatieformulier.
Daarbij heeft de kantonrechter bepaald dat Eneco in ieder geval stukken diende te overleggen waaruit blijkt dat en op welke manier er een overeenkomst met gedaagde tot stand is gekomen. Daarnaast diende Eneco de onderliggende facturen te verstrekken en de vraag te beantwoorden of de vordering mede is gebaseerd op bepalingen in de algemene voorwaarden. Indien dat laatste geval, diende Eneco de algemene voorwaarden in het geding te brengen, toe te lichten op welke bepaling(en) een beroep wordt gedaan en toe te lichten waarom het beding volgens haar niet oneerlijk is in de zin van Richtlijn 93/13 oneerlijke bedingen.
2.2.
Eneco heeft producties overgelegd en haar vordering bij akte nader toegelicht. Eneco heeft meegedeeld dat zij niet meer beschikt over de overeenkomst, maar dat deze eind augustus/begin september 2010 op afstand is gesloten tussen partijen. De voorschotnota's vanaf deze periode zijn betaald, maar vanaf juli 2018 is gedaagde ingebreke gebleven met de betaling.
2.3.
Eneco heeft gezien het voorgaande naar het oordeel van de kantonrechter thans voldoende toegelicht dat een overeenkomst met gedaagde tot stand is gekomen en de gevorderde hoofdsom deugdelijk onderbouwd.
2.4.
Uit de door Eneco overgelegde stukken blijkt dat zij vanaf 27 augustus 2014 maar liefst 15 maal € 20,- (€ 300,-) en 17 maal € 40,- (€ 680,-) aan 'incassokosten aanmaning/ sommatie' in rekening heeft gebracht bij gedaagde. Daarnaast is er € 40,- in rekening gebracht voor een 'huisbezoek'. Eneco heeft nadien per saldo € 320,- aan 'incassokosten aanmaning' gecrediteerd (te weten viermaal € 20,- en zesmaal € 40,-). Ook de € 40,- voor het 'huisbezoek' zijn afgeboekt. Dit betekent dat Eneco gedaagde de afgelopen jaren in totaal
€ 980,- aan incassokosten in rekening heeft gebracht, dat gedaagde daarop inmiddels € 660,- aan Eneco heeft betaald en dat Eneco in de aanloop naar het buitengerechtelijke incassotraject van het restant ad € 320,- heeft afgezien.
Het is de kantonrechter vooralsnog niet gebleken dat Eneco bij het in rekening brengen van die incassokosten telkens heeft voldaan aan de vereisten die artikel 6:96 lid 6 BW Pro daaraan stelt, te weten het versturen van een kosteloze schriftelijke aanmaning, waarin gedaagde nog de gelegenheid wordt geboden om de openstaande vordering binnen veertien dagen na de dag van ontvangst daarvan te voldoen. Of gedaagde dat vervolgens binnen die termijn heeft gedaan, is evenmin duidelijk. Ook is (nog) niet gebleken dat Eneco voorafgaand aan de verzending van de in deze procedure overgelegde 'veertiendagenbrief', aan gedaagde voor de niet betaalde incassokosten een creditfactuur heeft gestuurd waaruit voldoende duidelijk blijkt dat zij daarop niet langer aanspraak maakt. De kantonrechter zal Eneco in de gelegenheid stellen om de desbetreffende creditfacturen en desbetreffende veertiendagenbrieven alsnog over te leggen.
2.5.
De zaak zal worden verwezen naar de rol, zodat Eneco de bij r.o. 2.4 bedoelde stukken en informatie alsnog kan verstrekken. In afwachting hiervan houdt de kantonrechter iedere verdere beslissing aan.

3.Beslissing

De kantonrechter:
3.1.
verwijst de zaak naar de rolzitting van dinsdag
24 maart 2020voor akte aan de zijde van Eneco inzake hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 2.4 is overwogen omtrent de vanaf
27 augustus 2014 in rekening gebrachte incassokosten.
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. M.E. van Rossum en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2020.
typ/conc: 36330/TG
coll: