Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[veroordeelde] ,
Procesverloop
Bewijsmiddelen
Beoordeling
[adres 1]
Kweekruimte C:
[adres 2] .
:
Rechtbank Noord-Nederland
De rechtbank Noord-Nederland heeft op 19 december 2019 een ontnemingsvordering behandeld tegen de veroordeelde, die eerder veroordeeld was voor medeplegen van hennepteelt en deelname aan een criminele organisatie. De officier van justitie had een vordering ingediend tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van ruim 2,5 miljoen euro, welke later werd gematigd tot ongeveer 1,8 miljoen euro.
De rechtbank baseerde haar oordeel op uitgebreide bewijsmiddelen, waaronder proces-verbalen, verklaringen van medeverdachten, observaties en technische onderzoeken. Er werden hennepkwekerijen aangetroffen op meerdere locaties, waaronder een loods in Franeker, een pand in Surhuisterveen en een andere locatie. De opbrengsten werden berekend aan de hand van het aantal planten, oogsten, en een vastgesteld verkoopprijs per gram hennep, waarbij ook onkosten werden afgetrokken.
De rechtbank stelde vast dat de veroordeelde voordeel had genoten uit de opbrengsten van deze kwekerijen en dat er onvoldoende inzicht was gegeven in de verdeling van het voordeel. Daarom werd het wederrechtelijk verkregen voordeel pondspondsgewijs verdeeld tussen de veroordeelde en medeveroordeelden. Na verrekening van vergoedingen aan medeveroordeelden en een matiging wegens redelijke termijn, werd het bedrag vastgesteld op € 510.731,03.
De verdediging voerde aan dat verklaringen van een medeverdachte niet als bewijs mochten worden gebruikt vanwege het ontbreken van een behoorlijke ondervraging, maar de rechtbank verwierp dit verweer op basis van steun in andere bewijsmiddelen. De rechtbank oordeelde dat er geen schending van artikel 6 EVRM Pro had plaatsgevonden.
De rechtbank legde aan de veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de staat te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Uitkomst: De rechtbank legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 510.731,03 aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.