ECLI:NL:RBNNE:2019:5317
Rechtbank Noord-Nederland
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing ontnemingsvordering wegens onvoldoende bewijs eerdere hennep oogst
De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 19 december 2019 een ontnemingsvordering in een hennepzaak tegen veroordeelde, die eerder was veroordeeld voor medeplegen van een overtreding van de Opiumwet.
De officier van justitie vorderde aanvankelijk €29.930,38 aan wederrechtelijk verkregen voordeel, later gematigd tot €10.693,12, gebaseerd op de opbrengst van één oogst op een specifiek adres. De vordering was mede gebaseerd op vondsten van hennepplanten in de auto van veroordeelde en kalkafzettingen op potten en een dekzeil in een aanhanger, waarvan werd gesteld dat deze duidden op een eerdere oogst.
De verdediging voerde aan dat de kalkafzettingen en de plaatsing van potten op het dekzeil niet eenduidig bewijs vormden voor een eerdere oogst. Ook waren de hennepresten niet nader onderzocht. De rechtbank oordeelde dat op grond van het dossier en de ter zitting besproken feiten onvoldoende aannemelijk was dat er een eerdere oogst had plaatsgevonden waaruit veroordeelde voordeel had genoten.
Daarom wees de rechtbank de ontnemingsvordering van de officier van justitie af. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer onder voorzitterschap van mr. A.H.M. Dölle, met mr. M.J. Dijkstra en mr. G.C. Koelman als rechters.
Uitkomst: De rechtbank wijst de ontnemingsvordering af wegens onvoldoende bewijs van wederrechtelijk verkregen voordeel.