De rechtbank Noord-Nederland heeft op 10 oktober 2019 uitspraak gedaan in een zaak waarbij veroordeelde werd veroordeeld voor het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet. De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank stelde vast dat de hennepkwekerij langere tijd in gebruik was en dat er aanwijzingen waren voor een eerdere oogst.
De rechtbank baseerde haar oordeel op verschillende bewijsmiddelen, waaronder het vonnis van de meervoudige kamer, een proces-verbaal over indicatoren van eerdere oogsten en een rapport over de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De kwekerij bestond uit twee kweekruimtes met respectievelijk 460 en 410 hennepplanten. Veroordeelde gaf aan verantwoordelijk te zijn voor de kwekerij en verklaarde dat hij bepaalde materialen nieuw had aangeschaft.
Op basis van de omvang van de kwekerij, de hoeveelheid planten en de prijs per kilogram hennep, berekende de rechtbank het netto wederrechtelijk verkregen voordeel op €78.975,40. De rechtbank legde veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de staat te betalen ter ontneming van het voordeel. De uitspraak werd gedaan door drie rechters en uitgesproken in een openbare terechtzitting.