Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2019:2315

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
10 april 2019
Publicatiedatum
24 mei 2019
Zaaknummer
C19/126239 KG RK 19-48
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing wrakingsverzoek wegens vooringenomenheid rechter tijdens comparitie

In deze civiele zaak verzocht verzoeker de wraking van de rechter vanwege vermeende vooringenomenheid tijdens een comparitie over een geschil omtrent snoeiwerkzaamheden aan een heg. De rechter stelde aan verzoeker herhaaldelijk een gesloten vraag over de hoogte van de heg en het zicht, waarbij verzoeker werd onderbroken en de vraag met toenemende aandrang werd herhaald. Aan de wederpartij werden geen vragen gesteld en de comparitie duurde slechts vijf minuten.

De rechtbank overwoog dat een rechter slechts gewraakt kan worden bij feiten of omstandigheden die de onpartijdigheid kunnen schaden. Hier was sprake van subjectieve onpartijdigheid, waarbij de vrees voor vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd moet zijn. De rechtbank stelde vast dat de rechter een gesloten vraag stelde die een bepaalde indruk gaf over zijn standpunt en dat verzoeker onvoldoende gelegenheid kreeg om hierop te reageren.

Daarnaast werd verzoeker op beperkte wijze bevraagd, terwijl aan de wederpartij geen kritische vragen werden gesteld, wat een ongelijke behandeling opleverde. De korte duur van de comparitie en het eenzijdig bepalen van de termijn voor vonnis droegen bij aan de vrees van verzoeker. De rechtbank concludeerde dat deze uitzonderlijke omstandigheden de wraking rechtvaardigden en wees het verzoek toe.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek van verzoeker wordt toegewezen wegens objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid van de rechter.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Wrakingskamer
Locatie Assen
zaaknummer: C/19/126239 / KG RK 19-48
Beslissing van 10 april 2019
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[naam],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: [verzoeker],
raadsvrouw mr. K.M. Löwik-Felt,
strekkende tot de wraking van
mr. L.G. Groefsema,
rechter in deze rechtbank, hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het schriftelijke wrakingsverzoek ontvangen ter griffie op 20 maart 2019;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 21 maart 2019.
1.2.
Bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek is namens [verzoeker] zijn raadsvrouw verschenen. De rechter heeft reeds in zijn schriftelijke reactie laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van voormelde rechter, zijnde rechter in de civiele zaak tussen [verzoeker] en [naam] (hierna: [A]) met nummer C/19/124082/HA ZA 18-163. Deze zaak heeft betrekking op de vordering van [verzoeker] om [A], op straffe van verbeurte van een dwangsom, te veroordelen tot nakoming van de door partijen overeengekomen afspraken zoals vastgelegd in het proces-verbaal van comparitie van 26 juni 2017 van rechtbank Noord-Nederland. Deze afspraken houden in dat [A] twee keer per jaar snoeiwerkzaamheden dient te verrichten aan een heg op haar perceel die direct grenst aan de oprit van [verzoeker]. Meer specifiek is afgesproken dat [A] eenmaal in het voorjaar en eenmaal in het najaar de heg zal terugsnoeien tot een hoogte van ongeveer één meter. In deze zaak vond op 19 maart 2019 een comparitie van partijen plaats onder leiding van de rechter.
2.2.
[verzoeker] heeft blijkens het schriftelijke verzoek, zoals door zijn raadsvrouw toegelicht bij de mondelinge behandeling, het volgende aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd.
In het onderhavige geval is volgens [verzoeker] sprake van feiten en omstandigheden die uitzonderlijke omstandigheden betreffen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de behandelend rechter jegens hem dan wel aangaande zijn standpunt een vooringenomenheid koestert, althans is zijn vrees dat daarvan sprake is, gerechtvaardigd. Deze feiten en omstandigheden worden door [verzoeker] als volgt omschreven. Tijdens de comparitie heeft de rechter zich, nadat de raadslieden van [verzoeker] en [A] kort de eis en het verweer hadden toegelicht, tot [verzoeker] gericht. Hierbij toonde de rechter met zijn hand wat volgens hem ongeveer de hoogte van de heg zou zijn bij één meter hoogte en hield [verzoeker] voor dat het zicht van [verzoeker] met een dergelijke hoogte toch niet belemmerd wordt. Nadat [verzoeker] is aangevangen met het geven van een antwoord onderbreekt de rechter hem en blijft [verzoeker] op (steeds) dringender toon vragen of zijn zicht belemmerd wordt bij een dergelijke hoogte. [verzoeker] heeft daarop geantwoord dat als de heg hoger is dan één meter zijn zicht belemmerd wordt. De rechter meent dat [verzoeker] zijn vraag niet beantwoord heeft en blijft de vraag steeds dwingender en met steeds meer verheffende/schreeuwende stem herhalen. [verzoeker] geeft opnieuw aan dat zijn zicht belemmerd wordt als de heg hoger is dan één meter, waarop de rechter hoorbaar en met handgebaren verzucht en aangeeft dat hij binnen zes weken vonnis zal wijzen. Aan partij [A] is geen enkele vraag gesteld en de comparitie heeft maximaal vijf minuten geduurd.
2.3.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft schriftelijk op het verzoek gereageerd. De rechter heeft daarbij aangegeven dat hij op de comparitie de hoogte van één meter met zijn hand heeft aangegeven en vragenderwijs aan [verzoeker] heeft meegedeeld dat bij deze hoogte van de heg zijn zicht toch niet wordt belemmerd. Vervolgens heeft hij aan [verzoeker] tot driemaal toe de open vraag gesteld of [verzoeker] voldoende uitzicht heeft op de weg wanneer hij zijn oprit afrijdt terwijl de heg ongeveer één meter hoog is. Daarop heeft [verzoeker] volgens de rechter geantwoord dat hij slechts voldoende uitzicht heeft wanneer de heg één meter hoog is. Aldus heeft [verzoeker] naar de mening van de rechter tot driemaal toe zijn (eenvoudige) vraag niet beantwoord. De rechter stelt vervolgens partijen te hebben meegedeeld dat over uiterlijk zes weken vonnis zal worden gewezen. Naar de mening van de rechter was van vooringenomenheid dan wel partijdigheid in het geheel geen sprake. De rechter stelt slechts tot in ieder geval driemaal toe voormelde open vraag te hebben gesteld waarbij hij de derde keer - gelet op de ontwijkende antwoorden van [verzoeker] - de vraag op iets luidere toon heeft gesteld.

3.De beoordeling

3.1.
De rechtbank overweegt dat een rechter alleen gewraakt kan worden als zich feiten of omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Ten aanzien van deze onpartijdigheid wordt onderscheid gemaakt tussen subjectieve en objectieve aspecten van onpartijdigheid. In het onderhavige geval is naar het oordeel van de rechtbank een beroep gedaan op de subjectieve aspecten van onpartijdigheid. Deze aspecten hebben betrekking op de persoonlijke instelling van de rechter. In een dergelijk geval geldt als criterium dat een rechter moet worden vermoed uit hoofde van zijn aanstelling onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende persoonlijk, dan wel aangaande een standpunt in een zaak, een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. De vrees voor subjectieve partijdigheid van de rechter moet daarbij objectief gerechtvaardigd zijn.
3.2.
De rechtbank is van oordeel dat zich tijdens de comparitie van 19 maart 2019 voormelde uitzonderlijke omstandigheden hebben voorgedaan waardoor de vrees van [verzoeker] voor vooringenomenheid bij de rechter objectief gerechtvaardigd is. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende.
Uit het wrakingsverzoek en de schriftelijke reactie van de rechter blijkt dat de rechter aan [verzoeker] heeft voorgehouden c.q. hem vragenderwijs heeft meegedeeld dat bij een hoogte van de heg van een meter het zicht van [verzoeker] 'toch niet belemmerd wordt'. Door zijn vraag aldus te formuleren heeft de rechter niet een open vraag, doch eerder een gesloten vraag gesteld waarmee de rechter naar het oordeel van de rechtbank al een bepaalde indruk heeft gegeven over hoe hij tegen de mogelijke belemmering van het uitzicht van [verzoeker] door de heg aankijkt. Het stellen van een dergelijke vraag brengt nog niet met zich dat er sprake is een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid, maar er moet wel voldoende mogelijkheid zijn voor partijen om op deze vraag te reageren en op de impliciete indruk die de rechter heeft gegeven over hoe hij tegen de zaak aankijkt. Deze mogelijkheid heeft de rechter onvoldoende geboden.
Gebleken is dat de rechter voormelde vraag aan [verzoeker] is blijven stellen. Daarbij was de rechter, zoals hij in zijn schriftelijke reactie heeft gesteld, van mening dat [verzoeker] zijn vraag telkens niet beantwoord heeft. De rechtbank is van oordeel dat de rechter door deze wijze van handelen ter comparitie [verzoeker] op beperkte wijze heeft bevraagd. Daartoe overweegt de rechtbank dat het in de rede had gelegen dat de rechter, in zijn overtuiging dat [verzoeker] zijn vraag niet beantwoord heeft, zijn vraag op andere wijze geformuleerd had of andersoortige vragen aan [verzoeker] gesteld had. Daarvan is echter niet gebleken. Hierdoor kan de indruk bij [verzoeker] zijn ontstaan dat de rechter slechts gericht was op het verkrijgen van een bevestiging van zijn voormelde gesloten vraag en niet op het verkrijgen van nadere informatie van de zijde van [verzoeker] over het belemmeren van het uitzicht door de hoogte van de heg.
Voorts weegt de rechtbank mee dat niet gebleken is dat de rechter tijdens de comparitie aan de wederpartij [A] een (kritische) vraag gesteld heeft. Gebleken is dat de raadsvrouw van [A] ter comparitie kort een toelichting op het standpunt van [A] heeft gegeven, maar niet gebleken is dat aan [A] zelf het woord gegeven is. De rechtbank is van oordeel dat hierdoor niet gebleken is dat de rechter [verzoeker] en [A] ter comparitie op gelijke wijze benaderd heeft. Hierdoor kan bij [verzoeker] de indruk versterkt zijn dat bij de rechter op voorhand de overtuiging leefde dat [A] het gelijk aan haar zijde had.
De rechtbank neemt daarnaast bij haar beoordeling mee dat gebleken is dat de comparitie van (zeer) korte duur is geweest. Tevens dat de raadsvrouw van [verzoeker] ter zitting bezwaar heeft gemaakt tegen de gang van zaken en de toon van de rechter ongepast vond. Niettemin heeft de rechter, zonder overleg met partijen, besloten dat binnen zes weken vonnis zal worden gewezen. Dit zal aan de bij [verzoeker] ontstane vrees hebben bijgedragen.
Het voorgaande maakt dat naar het oordeel van de rechtbank geconcludeerd kan worden dat de comparitie hoofdzakelijk bestaan heeft uit het stellen van voormelde zelfde vraag aan [verzoeker], waarna de rechter door het, naar zijn mening, uitblijven van een bevredigend antwoord van [verzoeker] op deze vraag de comparitie zonder meer gesloten heeft. Derhalve is sprake geweest van voormelde uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan de rechtbank het wrakingsverzoek van [verzoeker] zal toewijzen.

4.De beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek tot wraking toe;
bepaalt dat de griffier aan [verzoeker], de rechter en de wederpartij in de hoofdzaak omgaand een afschrift van deze beslissing toestuurt.
Deze beslissing is gegeven door mr. M.A.A. van Capelle, voorzitter en mr. G.J.J. Smits en
mr. S.M. Schothorst, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2019.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.