ECLI:NL:RBNNE:2019:1595

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
17 april 2019
Publicatiedatum
17 april 2019
Zaaknummer
18/730080-18
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenArt. 2 lid 1 sub b Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenArt. 67 lid 1 Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift tegen DNA-afname bij veroordeelde wegens versperren openbare weg toegewezen

Klaagster is veroordeeld tot een taakstraf wegens medeplegen van het opzettelijk versperren van een openbare landweg en het wederrechtelijk dwingen van anderen. De officier van justitie heeft op grond van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden bepaald dat haar celmateriaal wordt afgenomen voor DNA-profielopname.

Klaagster maakte bezwaar tegen deze DNA-afname omdat het misdrijf van verkeersfeiten aard is waarbij DNA-onderzoek niet van betekenis kan zijn voor opsporing en vervolging. Ook stelde de verdediging dat er geen recidivegevaar is.

De officier van justitie voerde aan dat de wet een ruime afname van DNA beoogt en dat bij de gepleegde feiten DNA kan worden achtergelaten, waardoor opname in de databank gerechtvaardigd is.

De rechtbank oordeelt dat het misdrijf valt onder de uitzonderingen van de Wet DNA-V, omdat DNA-onderzoek praktisch geen bijdrage levert aan de opsporing van deze feiten. Ook is er geen sprake van recidivegevaar of eerdere strafbare feiten die DNA-afname rechtvaardigen.

Daarom verklaart de rechtbank het bezwaarschrift gegrond en beveelt de vernietiging van het afgenomen celmateriaal.

Uitkomst: Het bezwaarschrift tegen DNA-afname wordt gegrond verklaard en het afgenomen celmateriaal wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
rekestnummer 19/93
parketnummer 18/730080-18
beschikking van de enkelvoudige raadkamer d.d. 17 april 2019 op het bezwaarschrift ex artikel 7 van Pro de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, ingediend door:

[klager] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] .

Procesverloop

Bij vonnis van de meervoudige strafkamer van 9 november 2018 is klaagster veroordeeld tot 120 uren taakstraf, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis, ter zake van:
1. medeplegen van opzettelijk een openbare landweg versperren, terwijl daarvan gevaar voor de veiligheid van het verkeer te duchten is;
2. medeplegen van een ander door enige andere feitelijkheid, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden.
Vervolgens heeft de officier van justitie op grond van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (verder: Wet DNA-V) bepaald dat klaagsters celmateriaal wordt afgenomen ter bepaling en verwerking van het DNA-profiel. Het celmateriaal van klaagster is reeds afgenomen.
Het bezwaarschrift is op 8 februari 2019 ingekomen ter griffie en richt zich tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde. Klaagster is ontvankelijk in haar bezwaarschrift nu dit binnen de wettelijke termijn is ingediend. De behandeling van het bezwaarschrift heeft plaatsgevonden in raadkamer op 27 maart 2019.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat het celmateriaal van klaagster niet mag worden verwerkt en opgenomen in de databank, omdat sprake is van een uitzonderingsgeval. Celmateriaal mag niet worden afgenomen indien redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA niet van betekenis kan zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd. Volgens de raadsman gaat het hier in de kern om verkeersfeiten, waarbij niet valt in te zien hoe DNA-onderzoek realistisch gezien van belang kan zijn bij het opsporen van dergelijke feiten. Het bepalen en verwerken van het DNA is dan ook disproportioneel. De raadsman meent voorts dat geen sprake is van recidivegevaar. De feiten vonden plaats in een specifieke context en zijn sterk situatief bepaald, zodat volstrekt onaannemelijk is dat klaagster opnieuw dergelijke strafbare feiten zal plegen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat de Wet DNA-V tot uitgangspunt neemt dat DNA wordt opgeslagen van ieder die is veroordeeld wegens een voldoende zwaar misdrijf, als genoemd in art. 67, lid 1, Wetboek van strafvordering (verder: Sv). De officier van justitie is verplicht daartoe bevel te geven, behoudens de uitzonderingen van art. 2, lid 1 sub b, Wet DNA-V. De Wet DNA-V strekt ertoe om reeds gepleegde en toekomstige strafbare feiten van de veroordeelde efficiënt op te sporen en voorts recidive door de veroordeelde te voorkomen. Blijkens wetsgeschiedenis en jurisprudentie heeft de wetgever een systeem van ruime afname van DNA beoogd. Bij de feiten waarvoor klaagster is veroordeeld, kan op vele manieren DNA worden achtergelaten, hetgeen kan bijdragen tot de opsporing. Zo kunnen voertuigen of kledingstukken achterblijven waarop DNA te vinden is. Concreet recidivegevaar hoeft niet te worden vastgesteld; DNA-afname blijft alleen achterwege als vaststaat dat elk opsporingsbelang of recidivegevaar ontbreekt. Mede gelet op de bewoordingen van het veroordelend vonnis acht de officier van justitie recidivegevaar aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank overweegt dat klaagster is veroordeeld wegens een misdrijf omschreven in artikel 67, lid 1, Sv. In dat geval moet de officier van justitie bevelen dat klaagsters celmateriaal wordt afgenomen ter opname in de DNA-databank, tenzij redelijkerwijs aannemelijk is dat die opname in de databank, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis kan zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde (artikel 2, lid 1, Wet DNA-V). Als die uitzondering zich voordoet, mag klaagsters DNA niet worden afgenomen of verwerkt.
Volgens de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie ziet de ‘aard van het misdrijf’ op misdrijven waarbij doorgaans geen celmateriaal wordt achtergelaten, althans DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing. Bekende - maar in de jurisprudentie niet onomstreden voorbeelden zijn meineed, valsheid in geschrift, schuldheling, verduistering (Kamerstukken II, 2002/03, 28 685, nr. 3, p.10 en nr. 5, p. 14), fraude, witwassen, oplichting, bezit van kinderporno, mondelinge bedreiging of belediging.
De rechtbank is van oordeel dat zich in dit geval de uitzondering van art. 2, lid 1 sub b, Wet DNA-V voordoet, gelet op de aard van de misdrijven ‘versperren van een openbare weg’ en ‘door feitelijkheden een ander dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden’. Uit het dossier volgt niet dat bij de opsporing van deze misdrijven gebruik is gemaakt van DNA-onderzoek als opsporingsmiddel. De opsporing heeft, zo volgt uit de stukken, plaatsgevonden op grond van feitelijke waarneming door de politie van ter plaatse aanwezige personen en aanwezige voertuigen met kentekens, in combinatie met verhoor van verdachten, aangevers en getuigen. Voorts acht de rechtbank van belang dat in het veroordelend vonnis werd vrijgesproken van geweldshandelingen en van bedreiging met geweld, tenlastegelegd in de feiten 2 en 3. Bewezenverklaard zijn sterk samengevat - de feitelijkheden ‘dwingen tot afremmen’, ‘dwingen tot stoppen’, ‘dwingen tot het dulden dat zij in een file terechtkwamen’ en ‘dwingen te dulden dat zij hun reis niet konden vervolgen’. Veroordeelden hebben dit gedaan door als bestuurders of inzittenden in hun voertuigen autobussen in te halen, af te remmen en autobussen te blokkeren. De rechtbank ziet niet hoe daarin opsporing door DNA-onderzoek praktisch gesproken een rol van betekenis had kunnen spelen.

Recidivegevaar

Indien de aard van het concreet gepleegde delict zich verzet tegen de DNA-afname, moet de rechtbank vervolgens onderzoeken of wellicht toch DNA-bepaling moet plaatsvinden omdat aannemelijk is dat klaagster zal recidiveren in een ander soort misdrijf waarvoor DNA-onderzoek wel van belang is, of omdat klaagster in het verleden ook andersoortige misdrijven heeft gepleegd waarbij doorgaans wel celmateriaal achterblijft (Kamerstukken I 2003/04, 28 685, C, p. 9 en Kamerstukken II 2002/03, 28 685, nr. 5, p. 14).
Nu uit het uittreksel uit het justitieel documentatieregister blijkt dat klaagster niet eerder met politie of justitie in aanraking is geweest, komt de rechtbank op grond van al het bovenstaande tot het oordeel dat het bezwaarschrift gegrond moet worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank verklaart het bezwaarschrift gegrond.
Beveelt de officier van justitie ervoor zorg te dragen dat het afgenomen celmateriaal van veroordeelde terstond wordt vernietigd.
Deze beschikking is gegeven op 17 april 2019 door mr. K. Post, rechter, bijgestaan door
A. van Dijk, griffier.