ECLI:NL:RBNNE:2018:891
Rechtbank Noord-Nederland
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van gedwongen ontuchtige handelingen
De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 9 februari 2018 de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van het dwingen van aangeefster tot het dulden van ontuchtige handelingen in maart 2016 te Drachten. De tenlastelegging omvatte onder meer het slaan, betasten en proberen te zoenen van het slachtoffer.
De officier van justitie vorderde vrijspraak omdat de verklaring van aangeefster veel twijfels bevatte en zij niet kon aangeven welke verdachte welke handeling had verricht. Verdachte en medeverdachte ontkenden de beschuldigingen, en getuigen hadden niets gezien. Er was ook geen bewijs van een gezamenlijk plan tot medeplegen.
De verdediging voerde aan dat het bewijs ontbrak en dat aangeefster niet wist wie welke handeling had verricht. Ook ontbrak het aan bewijs voor het subsidiaire feit van poging tot zoenen. De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om schuld vast te stellen, zowel voor het primaire als het subsidiaire ten laste gelegde.
Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle tenlasteleggingen. De verklaring van aangeefster bevatte te veel onzekerheden, en geen van de getuigen kon bevestigen wat er was gebeurd. De rechtbank concludeerde dat wettig en overtuigend bewijs voor schuld ontbrak, ook voor medeplegen en poging.
Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer, waarbij één rechter niet kon ondertekenen, en uitgesproken in een openbare terechtzitting.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van gedwongen ontuchtige handelingen.