Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[verdachte] ,
Tenlastelegging
Beoordeling van het bewijs
Benadeelde partij
Uitspraak
De rechtbank
[slachtoffer 2]niet ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Rechtbank Noord-Nederland
De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 23 november 2018 de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van seksuele uitbuiting van twee slachtoffers in Nederland. De tenlastelegging omvatte onder meer werving, vervoer en uitbuiting met dwang en misbruik van kwetsbare posities.
De verklaringen van beide slachtoffers ondersteunden elkaar deels, waarbij medeverdachte een centrale rol speelde in huisvesting, werkplekken en het beheer van verdiensten. Verdachte ontkende betrokkenheid bij uitbuiting en stelde slechts te hebben geholpen met het in contact brengen van slachtoffers met medeverdachte.
De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van het eerste slachtoffer onvoldoende werden ondersteund door ander bewijs en dat het bewijs onvoldoende was om verdachte te veroordelen voor de uitbuiting van dit slachtoffer. Voor het tweede slachtoffer concludeerde de rechtbank dat weliswaar sprake was van uitbuiting door medeverdachte, maar dat onvoldoende bewijs bestond dat verdachte hiervan op de hoogte was of hieraan deelnam.
De vordering tot schadevergoeding van het tweede slachtoffer werd afgewezen wegens het ontbreken van bewezen feiten die schade veroorzaakten. De rechtbank sprak verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten wegens gebrek aan wettig bewijs.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens gebrek aan wettig bewijs van seksuele uitbuiting.