ECLI:NL:RBNNE:2018:5447
Rechtbank Noord-Nederland
- Op tegenspraak
- E.Th.M. Zwart-Sneek
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot verlenging ontruimingstermijn wegens wanbetaling bedrijfsruimte
Tussen huurder [A] en verhuurder [B] bestond een huurovereenkomst voor bedrijfsruimte die per 1 oktober 2018 is geëindigd. Ondanks beëindiging heeft ontruiming nog niet plaatsgevonden. [A] verzocht om verlenging van de ontruimingstermijn tot 1 februari 2019 vanwege medische omstandigheden en gebrek aan hulp.
[B] stelde dat sprake is van wanbetaling van meerdere huurtermijnen en gebruiksvergoeding vanaf 1 oktober 2018, en dat de belangen van [A] door ontruiming niet ernstiger worden geschaad dan die van [B] bij voortzetting van het gebruik.
De kantonrechter oordeelde dat er sprake is van een serieuze tekortkoming door wanbetaling conform artikel 7:212 BW Pro. Het vertrouwen dat ontruiming half januari zal plaatsvinden ontbreekt, mede omdat [A] geen gebruiksvergoeding betaalt en geen bereidheid toont tot betaling. Ook is onvoldoende gebleken dat inschakeling van derden geen oplossing biedt. De kantonrechter concludeert dat op grond van artikel 7:230a lid 4 BW niet van [B] kan worden verlangd dat [A] langer gebruik mag maken van de bedrijfsruimte. Het verzoek tot verlenging wordt afgewezen.
Daarnaast stelt de kantonrechter de gebruiksvergoeding vast op €506,68 per maand over de periode vanaf het einde van de huurovereenkomst tot ontruiming, rekening houdend met het gebruik van extra ruimte op de bovenverdieping. Het tijdstip van ontruiming wordt vastgesteld op drie dagen na betekening van deze beschikking. [A] wordt veroordeeld in de proceskosten van €400 ten gunste van [B].
Uitkomst: Het verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn wordt afgewezen en ontruiming dient binnen drie dagen na betekening plaats te vinden.