De rechtbank Noord-Nederland heeft op 27 december 2018 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van poging tot doodslag, poging tot zware mishandeling en mishandeling van twee slachtoffers.
De rechtbank sprak verdachte vrij van de poging tot doodslag omdat niet wettig en overtuigend kon worden bewezen dat verdachte de fatale schop had gegeven. Wel werd verdachte veroordeeld voor poging tot zware mishandeling van slachtoffer 1 en mishandeling van slachtoffer 2, waarbij sprake was van voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel.
De rechtbank legde een jeugddetentie op van 180 dagen, waarvan 80 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, inclusief bijzondere voorwaarden zoals medewerking aan diagnostiek, onthouding van verdovende middelen en verblijf in begeleid wonen na gesloten jeugdzorg. Tevens werden schadevergoedingen toegekend aan beide slachtoffers, waarbij de vorderingen deels werden gematigd en deels niet-ontvankelijk verklaard.
De strafrechtelijke beoordeling hield rekening met de ernst van de feiten, de persoon van verdachte, zijn belaste voorgeschiedenis en het advies van de Raad voor de Kinderbescherming. De rechtbank achtte gesloten jeugdzorg noodzakelijk vanwege het recidiverisico en het ontbreken van motivatie bij verdachte.
De uitspraak bevatte tevens een vrijspraak voor niet bewezen verklaarde feiten en een gedetailleerde motivering van de bewijswaardering en strafoplegging.