ECLI:NL:RBNNE:2018:2536
Rechtbank Noord-Nederland
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens onvoldoende bewijs
De officier van justitie vorderde op 23 mei 2018 dat de rechtbank een bedrag van €156.715,46 zou vaststellen als wederrechtelijk verkregen voordeel en dat dit aan de staat zou worden ontnomen. De zaak betrof een veroordeelde die eerder was veroordeeld voor opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet.
Tijdens de terechtzitting van 15 juni 2018 is het bewijs en de standpunten besproken. De rechtbank oordeelde dat op basis van de beschikbare bewijsmiddelen en hetgeen ter terechtzitting is besproken, onvoldoende aannemelijk is geworden dat de veroordeelde daadwerkelijk voordeel heeft genoten uit het bewezen verklaarde feit of soortgelijke feiten.
Daarom wees de rechtbank de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland op 29 juni 2018.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af wegens onvoldoende bewijs.