ECLI:NL:RBNNE:2018:2536

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
29 juni 2018
Publicatiedatum
3 juli 2018
Zaaknummer
18/054402-18 ontneming
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 onder B OpiumwetArt. 36e lid 5 Sr
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens onvoldoende bewijs

De officier van justitie vorderde op 23 mei 2018 dat de rechtbank een bedrag van €156.715,46 zou vaststellen als wederrechtelijk verkregen voordeel en dat dit aan de staat zou worden ontnomen. De zaak betrof een veroordeelde die eerder was veroordeeld voor opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet.

Tijdens de terechtzitting van 15 juni 2018 is het bewijs en de standpunten besproken. De rechtbank oordeelde dat op basis van de beschikbare bewijsmiddelen en hetgeen ter terechtzitting is besproken, onvoldoende aannemelijk is geworden dat de veroordeelde daadwerkelijk voordeel heeft genoten uit het bewezen verklaarde feit of soortgelijke feiten.

Daarom wees de rechtbank de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland op 29 juni 2018.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18/054402-18
beslissing van de meervoudige kamer d.d. 29 juni 2018 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen

[veroordeelde],

geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats],
wonende te [straatnaam], [woonplaats],
hierna te noemen: veroordeelde.

Procesverloop

De officier van justitie heeft d.d. 23 mei 2018 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van € 156.715,46 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18/054402-18 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 15 juni 2018.

Beoordeling

De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 29 juni 2018 in de zaak met parketnummer 18/054402-18 veroordeeld ter zake opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod.
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende aannemelijk is geworden dat veroordeelde daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft genoten door middel van of uit de baten van het bewezen verklaarde feit en/of soortgelijke feiten. De rechtbank zal derhalve de vordering van de officier van justitie afwijzen.

Beslissing

De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie af.
Deze uitspraak is gegeven door L.W. Janssen, voorzitter, mr. S. Zwarts en mr. C. Krijger, rechters, bijgestaan door mr. K.E. van Rhijn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 29 juni 2018.