ECLI:NL:RBNNE:2017:685

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
20 februari 2017
Publicatiedatum
28 februari 2017
Zaaknummer
18/930246-14
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs bij verwonding door vuurwerk

Op 31 december 2013 werd het slachtoffer ernstig lichamelijk letsel toegebracht door het gooien van zwaar vuurwerk, een vlinderbom. Verdachte werd ervan verdacht dit vuurwerk te hebben gegooid, wat leidde tot een oogbolruptuur en blijvend gezichtsverlies.

Tijdens de terechtzitting op 6 februari 2017 heeft het openbaar ministerie geconcludeerd dat er onvoldoende bewijs is om verdachte te verbinden aan het feit. Ook de verdediging stelde dat niet overtuigend is vastgesteld dat verdachte het vuurwerk heeft gegooid.

De rechtbank oordeelde dat uit het dossier en de verklaringen niet met de vereiste zekerheid kan worden vastgesteld wie verantwoordelijk is voor het gooien van het vuurwerk. Een alternatief scenario waarbij een ander de dader is, kon niet worden uitgesloten. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten.

De benadeelde partij had zich als partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding, maar de rechtbank verklaarde deze vordering niet-ontvankelijk omdat het feit niet bewezen is. De benadeelde kan de schadevordering alleen bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank bepaalde dat zowel de benadeelde partij als verdachte de eigen proceskosten dragen. Het vonnis werd uitgesproken op 20 februari 2017 door de meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs dat hij het vuurwerk heeft gegooid.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18/930246-14
vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 20 februari 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1959 te [geboorteplaats] ,
wonende aan de [straatnaam] , [woonplaats] ,
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van
6 februari 2017.
De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.G. Doornbos, advocaat te Assen. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R.G. de Graaf.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 31 december 2013, te Assen, aan een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, bestaande uit een oogbol ruptuur (met als gevolg een chirurgische verwijdering van de inhoud van de oogbol, en aldus blijvend gezichtsverlies) heeft toegebracht, door opzettelijk zwaar vuurwerk (een vlinderbom) naar en/of in de richting van die [slachtoffer] te gooien;
althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat
hij op of omstreeks 31 december 2013, te Assen grovelijk, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig zwaar vuurwerk (een vlinderbom) naar en/of in de richting van die [slachtoffer] heeft gegooid, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen, te weten een oogbol ruptuur (met als gevolg een chirurgische verwijdering van de inhoud van de oogbol, en aldus blijvend gezichtsverlies), althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of
verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van deze is
ontstaan.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. De officier van justitie heeft hiertoe aangevoerd dat hij op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet de overtuiging heeft dat verdachte degene is geweest die het vuurwerk heeft gegooid dat het letsel bij [slachtoffer] heeft veroorzaakt.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman is eveneens van mening dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Op basis van de verklaringen in het dossier kan niet overtuigend worden bewezen dat verdachte het vuurwerk heeft gegooid dat het letsel bij [slachtoffer] heeft teweeggebracht.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet zonder meer kan worden afgeleid dat het vuurwerk dat het letsel bij
[slachtoffer] heeft veroorzaakt door verdachte is gegooid. Een alternatief scenario, inhoudende dat het vuurwerk door een ander is gegooid, valt op grond van de diverse verklaringen uit het dossier niet uit te sluiten. De rechtbank zal verdachte bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs dan ook integraal vrijspreken van het ten laste gelegde.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit alsmede de gronden waarop deze berust.
De rechtbank acht het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan niet bewezen. De benadeelde partij zal niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] niet ontvankelijk is in de vordering en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Schoemaker, voorzitter, mr. A. Fokkema, en
mr. J.V. Nolta, rechters, bijgestaan door mr. E.A.B. de Jong, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 februari 2017.