ECLI:NL:RBNNE:2017:5034

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
28 december 2017
Publicatiedatum
28 december 2017
Zaaknummer
18/630195-11
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15d SrArt. 15e SrArt. 15f Sr
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering tot achterwege laten voorwaardelijke invrijheidstelling wegens weigering behandeling

Veroordeelde is bij onherroepelijk arrest veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf voor een (pedo)seksueel delict, met voorwaardelijke invrijheidstelling (VI) gepland per 1 december 2017. De officier van justitie vorderde op 23 oktober 2017 dat de VI geheel achterwege blijft, omdat veroordeelde niet meewerkt aan behandeling en het recidiverisico hoog is.

De rechtbank oordeelde dat de dagbepaling voor de zitting niet volgens de wettelijke voorschriften door de voorzitter was gedaan, maar dit leidde niet tot niet-ontvankelijkheid of nietigheid van de procedure. De raadsman van veroordeelde voerde aan dat de vordering moest worden afgewezen omdat niet aan de wettelijke voorwaarden was voldaan, zoals het ontbreken van een RISc-instrument en gedragsdeskundigenrapporten.

Deskundigen en de reclassering bevestigden echter het hoge recidiverisico en het ontbreken van medewerking van veroordeelde aan behandeling. Het VI-advies van de vestigingsdirecteur stelde dat VI alleen onder voorwaarden mogelijk was, maar veroordeelde weigerde deze na te leven. De rechtbank concludeerde dat de voorwaarden onvoldoende het recidiverisico kunnen beperken en veroordeelde niet bereid is mee te werken.

Op grond hiervan wees de rechtbank de vordering van het openbaar ministerie toe en besloot de voorwaardelijke invrijheidstelling achterwege te laten, conform artikel 15d, 15e en 15f Sr.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot het achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe vanwege het hoge recidiverisico en de weigering van veroordeelde mee te werken aan behandeling.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer: 18/630195-11
VI-zaaknummer: 99/000177-12
Beslissing van de meervoudige kamer op een vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 15d van het Wetboek van Strafrecht
in de zaak tegen

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] te Sint Maarten (Nederlandse Antillen),
gedetineerd in PI Flevoland, HvB Lelystad, Larserdreef 300, Lelystad,
hierna te noemen: veroordeelde.

Procesverloop

Bij onherroepelijk geworden arrest van de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 28 februari 2013 is veroordeelde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren met aftrek van voorarrest.
De detentieperiode van veroordeelde is op 5 april 2011 in voorarrest aangevangen en veroordeelde zou, gelet op artikel 15 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr), op 1 december 2017 voorwaardelijk in vrijheid worden gesteld.
De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering van 23 oktober 2017 gevorderd dat de rechtbank beslist dat de voorwaardelijke invrijheidstelling (VI) van veroordeelde geheel achterwege blijft.
De vordering is behandeld ter openbare terechtzitting van 14 december 2017, waarbij zijn gehoord de officier van justitie en de raadsman van veroordeelde mr. M.C. van Linde. Tevens zijn gehoord als deskundigen [naam] en [naam] , reclasseringswerkers.
Veroordeelde heeft schriftelijk afstand gedaan van zijn recht ter terechtzitting te verschijnen.

Motivering

ontvankelijkheid openbaar ministerie
De raadsman heeft primair namens veroordeelde bepleit dat de officier van justitie niet ontvankelijk in zijn vordering moet worden verklaard, nu in strijd met artikel 15e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht de dagbepaling niet door de voorzitter is gedaan en daarmee de grondslag voor de oproeping ontbreekt.
De rechtbank overweegt in dit verband dat op grond van artikel 15e, eerste lid, Sr het de voorzitter is die onmiddellijk na indiening van de vordering een dag voor het onderzoek van de zaak bepaalt, tenzij hij vaststelt dat het openbaar ministerie in zijn vordering niet kan worden ontvangen.
De rechtbank stelt vast dat in dit geval uit het dossier niet valt af te leiden dat de dag voor het onderzoek door de voorzitter is bepaald, zodat de rechtbank voor de beoordeling van het verweer als uitgangspunt neemt dat de dagbepaling niet heeft plaatsgevonden op de bij de wet voorgeschreven wijze. De vraag die vervolgens voorligt, is of en zo ja, welke consequentie(s) dit heeft.
Niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, zoals door de raadsman is bepleit, is niet aan de orde reeds omdat de dagbepaling een handeling betreft die is voorbehouden aan de rechter en niet aan het openbaar ministerie. De rechtbank ziet dan ook geen reden het openbaar ministerie niet ontvankelijk te verklaren in de vordering.
De rechtbank heeft zich vervolgens de vraag gesteld of niet naleving van artikel 15e, eerste lid, Sr dient te leiden tot nietigheid van het onderzoek. Niet naleving van genoemd voorschrift ex artikel 15e, eerste lid, is in de wet niet uitdrukkelijk met nietigheid bedreigd en zodanige nietigheid vloeit naar het oordeel van de rechtbank evenmin voort uit de aard van het verzuim. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat:
- anders dan de in artikel 15e, eerste lid, Sr genoemde marginale toets door de voorzitter, tijdens en na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting de meervoudige kamer van de rechtbank alsnog de vordering tot uitstel of achterwege laten van de VI in volle omvang toetst,
- op 23 oktober 2017, de dag dat de vordering door de rechtbank is ontvangen, onverwijld een dag voor de behandeling van de zaak is gepland, waardoor geen vertraging is opgelopen en
- in het onderhavige geval verder mag worden aangenomen dat de in artikel 15e, eerste lid, Sr bedoelde marginale toets niet zou hebben geleid tot het buiten behandeling laten van de vordering zodat niet blijkt dat veroordeelde door het verzuim daadwerkelijk in enig belang is geschaad.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding enig rechtsgevolg te verbinden aan de omstandigheid dat in dit geval de dagbepaling van de vordering tot achterwege blijven van de VI, niet door de voorzitter van de rechtbank is gedaan.
de vordering
De raadsman heeft subsidiair bepleit dat de vordering van de officier van justitie moet worden afgewezen. De raadsman heeft daartoe verwezen naar de wetgeschiedenis en met name naar het kamerstuk 30513 nr. 6 van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, waarin wordt gesteld dat uitstel of geheel achterwege blijven van VI aan de orde kan zijn, indien op basis van het RISc-instrument, het verloop van de detentie van veroordeelde en eventuele rapportages van gedragsdeskundigen wordt geconstateerd dat een veroordeelde een hoog recidiverisico heeft en de veroordeelde tijdens detentie niet meewerkt aan interventies en programma’s gericht op het terugdringen van dit risico. In deze zaak is aan door de minister gestelde voorwaarden niet voldaan. Zo is het recidiverisico niet op basis van het RISc-instrument en rapportages van gedragsdeskundigen vastgesteld. De reclassering heeft weliswaar gesteld dat sprake is van een hoog recidiverisico, maar deze conclusie komt uit de lucht vallen. Het verloop van de detentie blijkt uit het VI-advies van de vestigingsdirecteur van PI Lelystad. Uit dit advies komt naar voren dat veroordeelde een model gedetineerde is geweest, terwijl onder het kopje "trajectplan" is opgenomen dat het recidiverisico als laag/gemiddeld wordt ingeschat.
De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 14 december 2017 gepersisteerd bij zijn vordering tot achterwege blijven van de VI.
In het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 februari 2013 is onder meer overwogen dat een behandeling van veroordeelde niet tot de mogelijkheden behoorde
ten gevolge van zijn weigering om medewerking te verlenen aan onderzoek.
In het VI-advies van 26 september 2017, opgemaakt door (plaatsvervangend) vestigingsdirecteur [naam] , wordt geadviseerd VI te verlenen onder - onder meer - de voorwaarde dat veroordeelde zich laat behandelen. In dit advies is tevens opgetekend dat veroordeelde niet bereid is om de geadviseerde voorwaarden na te leven.
De reclassering heeft op 13 oktober 2017 het advies uitgebracht om VI af te stellen omdat het niet verantwoord en haalbaar is om veroordeelde VI te verlenen onder bijzondere voorwaarden. Veroordeelde werkt niet mee en bijzondere voorwaarden zijn onhaalbaar. Gezien de recidive van een (pedo)seksueel delict, het ogenschijnlijk gebrek aan probleembesef of zelfinzicht en ontbreken van schuldgevoel, is het recidiverisico hoog.
Ter terechtzitting van 14 december 2017 hebben beide deskundigen het advies bevestigd. De deskundige [naam 2] heeft het advies toegelicht en onder meer verklaard dat momenteel in plaats van het RISc-instrument gebruik wordt gemaakt van een nieuw diagnose-instrument, waarbij de reclasseringswerker zelf een inschatting maakt van het recidiverisico.
Op grond van artikel 15d, eerste lid, Sr kan VI achterwege blijven indien (onder andere) door het stellen van voorwaarden het recidiverisico voor misdrijven onvoldoende kan worden ingeperkt dan wel indien de veroordeelde zich niet bereid verklaart de voorwaarden na te leven.
De rechtbank stelt op grond van bovenvermelde stukken en de door de deskundigen ter terechtzitting gegeven toelichting vast dat er nog steeds een recidiverisico voor misdrijven bestaat, gezien de aard van het delict, een (pedo)seksueel delict, en het gebrek aan probleembesef en zelfinzicht bij de veroordeelde. Het is tot nu toe onmogelijk gebleken voorwaarden te stellen om dat risico in voldoende mate in te perken. De rechtbank stelt tevens vast dat veroordeelde, zowel voorafgaand aan de behandeling van zijn strafzaak, als nadien in het kader van de VI, telkens een negatieve c.q. weigerachtige houding ten opzichte van hulpverlening en behandeling heeft getoond. Ook ter terechtzitting van 14 december 2017 heeft de raadsman nogmaals duidelijk gemaakt dat veroordeelde in ieder geval niet zal meewerken aan behandeling.
De rechtbank acht daarom termen aanwezig om de vordering van de officier van justitie toe te wijzen.
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 15d, 15e en 15f van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank wijst de vordering strekkende tot het achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe.
Deze beslissing is gegeven door mr. A. Jongsma, voorzitter, mr. L.W. Janssen en
mr. O.J. Bosker, rechters, bijgestaan door A.W. ten Have-Imminga, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 december 2017.