Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
1.Procesverloop
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling
€ 145,00
€ 290,00
Rechtbank Noord-Nederland
Waterland Monnickendam exploiteert een jachthaven en verhuurde een deel van haar terrein aan de zoon van gedaagde. Na beëindiging van de huurovereenkomst bleef de zeilboot van gedaagde op het terrein staan zonder dat een vergoeding was afgesproken. Waterland Monnickendam stelde een tarief vast en vorderde betaling, maar partijen kwamen niet tot overeenstemming.
Gedaagde betwistte de hoogte van de gevorderde stallingskosten en stelde dat een redelijke vergoeding moest worden vastgesteld. De kantonrechter oordeelde dat bij gebrek aan prijsafspraak een redelijke vergoeding verschuldigd is, gebaseerd op de tarieven voor vaste ligplaatsen, niet het hogere passantentarief.
Waterland Monnickendam oefende een retentierecht uit op grond van artikel 3:290 BW Pro en weigerde de boot af te geven totdat de vordering was voldaan. De rechtbank stelde vast dat de gevorderde vergoeding bovenmatig was en verlaagde de vergoeding tijdens de uitoefening van het retentierecht. Na betaling van de redelijke vergoeding moet de boot worden afgeleverd. De vordering tot betaling en tegenvordering tot vaststelling van een redelijke vergoeding werden deels toegewezen, terwijl de vordering tot buitengerechtelijke kosten werd afgewezen. Partijen dragen hun eigen proceskosten.
Uitkomst: Gedaagde moet redelijke stallingsvergoeding betalen en na betaling wordt de boot afgeleverd; retentierecht blijft geldig zolang niet betaald.