ECLI:NL:RBNNE:2017:3917

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
16 oktober 2017
Publicatiedatum
16 oktober 2017
Zaaknummer
18/830022-17
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende overtuiging in verkrachtingszaak met DNA-contaminatie

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 16 oktober 2017 een man uit Veendam vrijgesproken van verkrachting en ontucht, omdat de overtuiging ontbrak dat hij het ten laste gelegde feit had gepleegd. De zaak betrof een incident in november 2015 waarbij verdachte werd beschuldigd van het duwen van zijn vingers in de vagina van het slachtoffer, onder bedreiging.

Het bewijs bestond onder meer uit een NFI-rapport waaruit bleek dat op de handschoenen die bij het incident gebruikt zouden zijn, DNA van zowel verdachte als slachtoffer was aangetroffen, inclusief vaginale cellen van het slachtoffer. Echter, omdat de handschoenen pas twee dagen na het incident aan de politie werden overgedragen, kon contaminatie van het DNA niet worden uitgesloten.

De officier van justitie vorderde vrijspraak wegens het ontbreken van overtuigend bewijs, en de verdediging betoogde eveneens dat de verklaring van het slachtoffer op cruciale punten tegenstrijdig was en dat de keten van bewaring was doorbroken. De rechtbank volgde deze lijn en sprak verdachte vrij. De civiele vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer werd niet-ontvankelijk verklaard, omdat het strafbare feit niet bewezen kon worden en de vordering bij de burgerlijke rechter moet worden ingediend.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende overtuiging door mogelijke DNA-contaminatie op bewijshandschoenen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18/830022-17
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 16 oktober 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats],
wonende te [straatnaam], [woonplaats].
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van
2 oktober 2017.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.A. Lubbers, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. C.V. van Overbeeke.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 8 november 2015, althans in de maand november 2015, te Delfzijl, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], te weten het duwen en/of brengen van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina en/of tussen de
schaamlippen van die [slachtoffer] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit:
- het onverhoeds naar beneden trekken van de onderbroek van die [slachtoffer] en/of het (vervolgens) onverhoeds duwen en/of brengen van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] en/of
- het in een eerder stadium tegen die [slachtoffer] zeggen: "Ik ben een gevaarlijke
man en ik kan jou maken of breken" en/of "Ik ben een hele gevaarlijke man. Ik maak je helemaal kapot als je iemand hierover verteld" (daarmee doelend op de werkwijze tijdens zijn, verdachtes, behandelingen), althans woorden van gelijke aard of strekking en/of (aldus) door voornoemde bewoordingen een bedreigende en/of intimiderende situatie voor die [slachtoffer] heeft gecreëerd;
althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat
hij op of omstreeks 8 november 2015, althans in de maand november 2015, te Delfzijl, terwijl hij werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, te weten als (ayurvedisch) therapeut en/of masseur, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer], die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd, door zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] te duwen en/of te
brengen.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat weliswaar sprake is van wettig bewijs, maar dat de overtuiging dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd ontbreekt. Pas twee dagen na het vermeende incident zijn de handschoenen die vermoedelijk gebruikt zouden zijn bij het plegen van het ten laste gelegde door aangeefster overgedragen aan de politie. Hoewel op een van deze handschoenen vaginale cellen van aangeefster zijn aangetroffen, valt niet uit te sluiten dat deze cellen op een later tijdstip op deze handschoen terecht zijn gekomen dan op dat van het vermeende strafbare feit.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft eveneens betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat sprake is van wettig bewijs, maar dat de overtuiging ontbreekt. Er moet volgens de raadsvrouw ernstig worden getwijfeld aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster [slachtoffer] nu zij zichzelf op cruciale punten tegenspreekt. Voorts is van belang dat op een van de handschoenen aan zowel de binnen- als de buitenzijde DNA van zowel aangeefster als verdachte is aangetroffen, waardoor niet valt uit te sluiten dat het DNA van aangeefster, waaronder de vaginale cellen, op een later moment op deze handschoen terecht is gekomen. Nu de handschoenen niet door de politie zelf zijn veiliggesteld, is de keten doorbroken en dat heeft gevolgen voor de bewijswaarde.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt het volgende. De belangrijkste ondersteuning voor de aangifte van
[slachtoffer] zijn de bevindingen van het NFI, zoals opgenomen in het rapport d.d.
22 september 2016. Uit het NFI-rapport blijkt dat op de handschoenen die bij het vermeende feit zouden zijn gebruikt, zowel het DNA van verdachte als het DNA van aangeefster is aangetroffen. Op een van de handschoenen zijn tevens vaginale cellen aangetroffen die van aangeefster kunnen zijn, hetgeen haar verklaring ondersteunt. Nu echter uit het NFI-rapport blijkt dat zowel aan de binnen- als de buitenzijde van voornoemde handschoen DNA van aangeefster is aangetroffen en de handschoenen pas twee dagen na het vermeende incident door aangeefster zijn overhandigd aan de politie, valt niet uit te sluiten dat sprake is van contaminatie van verschillende DNA-profielen. Op basis van het vorenstaande heeft de rechtbank niet de overtuiging bekomen dat verdachte het ten laste gelegde heeft gepleegd. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 219,56 ter vergoeding van materiële schade en € 1.500,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, nu het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan niet bewezen kan worden.
Standpunt van de verdediging
Ook de raadsvrouw heeft betoogd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu zij betoogd heeft dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan niet bewezen. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.F. Gerding, voorzitter, mr. L.W. Janssen en
mr. N.A. Baarsma, rechters, bijgestaan door mr. C.A.C. Thiadens, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 oktober 2017.