Partijen zijn in 1993 onder huwelijkse voorwaarden gehuwd, die in 2007 werden opgeheven waardoor een gemeenschap van goederen ontstond. Na echtscheiding in 2011 is de rechtbank belast met de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap. De vrouw vordert vaststelling van de wijze van verdeling, de man verzet zich hiertegen met een verweer gebaseerd op zijn godsdienstige overtuiging en morele bezwaren.
De rechtbank oordeelt dat persoonlijke levensovertuigingen geen grond vormen om objectieve rechtsregels, zoals de verdeling bij helfte van de ontbonden gemeenschap, te negeren. Het morele verweer van de man wordt daarom afgewezen. Ten aanzien van de woning bepaalt de rechtbank dat de waarde wordt vastgesteld op het moment van verkoop en dat deze via verkoop aan een derde moet worden verdeeld, omdat de man geen overname wenst.
De vrouw krijgt geen recht op de helft van de huurinkomsten, omdat de man alle lasten heeft gedragen en de vrouw aanvankelijk geen aanspraak maakte. Voor de bankrekeningen wordt de man opgedragen de saldi op de peildatum te overleggen. De vordering tot verdeling van de inboedel wordt toegewezen wegens onvoldoende weerspreking door de man. Betaling wegens overbedeling wordt aangehouden totdat duidelijkheid is over de bankrekeningen.