Op 15 mei 2016 werd verdachte samen met een medeverdachte ervan verdacht [slachtoffer1] te hebben afgetroefd en mishandeld, en twee andere personen mishandeld te hebben in Delfzijl. De rechtbank oordeelde dat de afpersing niet wettig en overtuigend bewezen kon worden en sprak verdachte daarvan vrij. Wel werd bewezen verklaard dat verdachte samen met een ander [slachtoffer1] wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd door hem tegen zijn wil mee te voeren naar een woning, en dat verdachte twee andere slachtoffers heeft mishandeld.
De rechtbank baseerde haar oordeel op verklaringen van slachtoffers en verdachte, waarbij verdachte de vrijheidsberoving en mishandelingen bekende. De verdediging voerde aan dat verdachte niet betrokken was bij de afpersing en dat het bewijs voor mishandeling onvoldoende overtuigend was, maar dit werd verworpen door de rechtbank.
De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de impact op slachtoffers en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn eerdere slachtofferschap van een ernstig zedenmisdrijf en de gevolgen daarvan voor zijn opleiding en toekomstperspectief. Daarom werd een taakstraf van 240 uur opgelegd en een gevangenisstraf van 270 dagen waarvan 250 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van €1150 immateriële schadevergoeding aan [slachtoffer1], met wettelijke rente vanaf 15 mei 2016. De vordering voor materiële schade werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs van betrokkenheid bij de afpersing. De rechtbank legde ook een schadevergoedingsmaatregel op en bepaalde dat vervangende hechtenis kan worden toegepast bij niet-betaling.