Op 18 december 2016 stichtte verdachte opzettelijk brand in haar eigen woning te Leek door papier aan te steken, waardoor brand ontstond en gemeen gevaar voor de woning en belendende percelen werd veroorzaakt. Verdachte verliet de woning zonder de brand te blussen of omwonenden te waarschuwen. De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte brandstichting pleegde, maar sprak haar vrij van het strafverzwarende feit dat levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel werd geducht, omdat hiervoor onvoldoende bewijs was.
De rechtbank nam bij de strafoplegging de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het werd gepleegd en de persoon van verdachte in aanmerking. Uit een psychologisch rapport bleek dat verdachte ten tijde van het feit een verstandelijke beperking en alcoholmisbruik had, waardoor zij verminderd toerekeningsvatbaar was. De reclassering adviseerde een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden.
De rechtbank veroordeelde verdachte tot een gevangenisstraf van 365 dagen, waarvan 348 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Aan het voorwaardelijke deel werden vijf bijzondere voorwaarden verbonden, gericht op gedragsbeïnvloeding en recidivepreventie, waaronder begeleiding, alcoholverbod en medewerking aan reclasseringstoezicht. De dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden werd niet bevolen wegens niet-naleving van artikel 14e Sr.
Verdachte werd vrijgesproken van overige tenlastegelegde feiten en de tijd in voorlopige hechtenis werd in mindering gebracht op de straf. Het vonnis werd uitgesproken door de meervoudige kamer van de Rechtbank Noord-Nederland op 1 juni 2017.