Een docent was geschorst nadat tijdens een les op zijn iPad de inbox van een gebruikersaccount van een dubieuze website zichtbaar werd, wat leidde tot een onderzoek door een extern bureau. Het onderzoek kon niet met zekerheid vaststellen wie het account had aangemaakt en concludeerde dat mogelijk andere leerlingen betrokken waren.
De docent vorderde in kort geding rehabilitatie door een schriftelijke verklaring dat hij geen verwijt treft, alsmede een vergoeding voor immateriële schade. De stichting Christelijk Voortgezet Onderwijs (CVO) verweerde zich met het ontbreken van spoedeisend belang en stelde dat zij als goed werkgever had gehandeld.
De voorzieningenrechter oordeelde dat onvoldoende feiten waren aangevoerd die onmiddellijke voorziening rechtvaardigen, mede omdat het eindrapport al in juli 2016 was uitgebracht en de docent pas eind januari 2017 het conceptrapport ontving. Tevens was nader onderzoek naar het IP-adres noodzakelijk om de waarheid vast te stellen.
De vordering werd daarom afgewezen en de docent werd veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak benadrukt dat een kort geding niet geschikt is voor het vaststellen van complexe feiten die nader onderzoek vereisen.