ECLI:NL:RBNNE:2016:4389

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
25 april 2016
Publicatiedatum
30 september 2016
Zaaknummer
C/18/l66502 / PR RK 16-159
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter wegens vermeende partijdigheid in vreemdelingenzaak

Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de behandelend rechter in zijn vreemdelingenzaak, omdat hij twijfels had over de onpartijdigheid van de rechtbank. Dit vermoeden ontstond door een fout in een begeleidende brief bij een rectificatiebeslissing, waarin ten onrechte een hoger beroepsclausule werd vermeld terwijl hoger beroep niet mogelijk was.

De rechtbank heeft het wrakingsverzoek inhoudelijk behandeld en vastgesteld dat de fout in de brief niet kan worden toegerekend aan de rechter zelf en geen aanleiding geeft tot een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid. De verzoeker heeft bovendien niet de persoon van de rechter bekritiseerd, maar de wijze waarop de rechtbank met de zaak omgaat.

De wrakingskamer concludeert dat de wettelijke criteria voor wraking niet zijn vervuld, omdat er geen zwaarwegende aanwijzingen zijn dat de rechter vooringenomen is. Het verzoek wordt daarom afgewezen en de procedure wordt voortgezet zoals die was ten tijde van het wrakingsverzoek.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de behandelend rechter wordt afgewezen wegens gebrek aan gegronde aanwijzingen voor vooringenomenheid.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Locatie Groningen
Meervoudige wrakingskamer
Zaaknummer / rekestnummer: C/18/l66502 / PR RK 16-159
Datum beslissing: 25 april 2016
Beslissing op het verzoek tot wraking ingevolge artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van
[A]
geboren op [geboortedatum] te [geboorteland],
verzoeker,
gemachtigde mr. N.B. Swart.

1.Het procesverloop

1.1
[A] heeft bij brief van van mr. Swart van 18 april 2016 de behandelend rechter in zijn zaak met nummer 16/6882 gewraakt.
1.2
Bij brief met bijlagen van 19 april 2016 heeft mr. Vinkes kenbaar gemaakt dat hij de behandelend rechter is en niet in het wrakingsverzoek berust.
1.3
Op 20 april 2016 is een brief met bijlagen van mr. Swart binnengekomen.
1.3
Op 21 april 2016 is het wrakingsverzoek ter zitting van de wrakingskamer behandeld door mr. P.J. Duinkerken, voorzitter, en mrs. A.M.A.M. Kager en M.A.B. Faber-Siermann, leden.
1.4
Mr. Swart en mr. Vinkes zijn beiden ter zitting verschenen.
1.5
Ten slotte heeft de rechtbank bepaald dat deze beslissing uiterlijk 25 april 2016 wordt uitgesproken.

2.Het standpunt namens [A]

2.1
In de beslissing van de rechtbank d.d. 4 april 2016 betreffende een door [A] ingediend verzoek tot opheffing van de vreemdelingenbewaring en schadevergoeding ontbreekt de naam van de rechter. Gelet op de wettelijke voorschriften is aldus geen sprake van een rechtsgeldige beslissing. Deze uitspraak is op 12 april 2016 gerectificeerd. In de door de griffier ondertekende begeleidende brief bij de rectificatiebeslissing is een zinssnede opgenomen met een hoger beroepsclausule. Dit is vreemd want in die procedure is geen hoger beroep mogelijk. De bedoelde zin is bovendien geen standaardzin, maar is kennelijk bewust in de brief opgenomen. Hierdoor is bij [A] het vermoeden ontstaan dat er overleg is geweest tussen de collega's van de vreemdelingenkamer en dat er al een beslissing klaarligt. [A] heeft geen vertrouwen in de onpartijdigheid van de rechtbank Noord-Nederland en verzoekt daarom verwijzing naar een andere rechtbank.
Desgevraagd heeft mr. Swart kenbaar gemaakt dat het bezwaar niet is gelegen in de persoon van de rechter maar tegen de wijze waarop de rechtbank Noord-Nederland met de zaak van haar cliënt omgaat c.q. is omgegaan.

3.Het standpunt van mr. Vinkes

3.1
Door de gang van zaken is de rechterlijke partijdigheid niet aangetast. Mr. Vinkes is niet betrokken geweest bij de rectificatie van de uitspraak. De zin betreffende hoger beroep in de begeleidende brief is onjuist en had er niet in moeten staan. Dit is een routinematige brief geweest die door de griffie is verstuurd. Mr. Vinkes is niet gebonden aan het oordeel van collega's in een vorige bewaringsprocedure.
Mr. Vinkes benadrukt dat er nog geen oordeel klaarligt.

4.De beoordeling

4.1
Ingevolge artikel 8:15 Awb Pro e.v. kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
4.2
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM geldt als uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter ten aanzien van een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij kan rekening worden gehouden met de uiterlijke schijn. Het enkele subjectieve oordeel van [A] is niet doorslaggevend. Aan de hand van deze maatstaf zal de rechtbank het verzoek beoordelen.
4.3
Kort samengevat heeft mr. Swart namens [A] het wrakingsverzoek gebaseerd op de omstandigheid dat hij door een handeling van de griffier geen vertrouwen heeft in deze rechtbank, terwijl geen bezwaren bestaan tegen de persoon van de rechter die zijn zaak behandelt.
4.4
De wrakingskamer stelt vast dat de bewuste zin niet in de brief opgenomen had moeten worden omdat er voor de betreffende uitspraak geen mogelijkheid is om in hoger beroep te gaan. Los daarvan valt niet in te zien dat deze fout van een griffiemedewerker de vrees rechtvaardigt is dat mr. Vinkes (of een andere rechter die de zaak zou hebben behandeld) vooringenomen zou zijn jegens [A]. Temeer nu mr. Swart ter zitting heeft gezegd heeft dat hij mr. Vinkes niet van vooringenomenheid beschuldigt.
4.5
De wrakingskamer overweegt dat de in artikel 8:15 Awb Pro genoemde feiten en omstandigheden betrekking dienen te hebben op de (persoon van de) rechter die de zaak behandelt. De grondslag van de wraking moet dan ook de betrokken rechter betreffen. Nu ten aanzien van mr. Vinkes geen sprake is van wrakingsgronden, dient het verzoek te worden afgewezen.

5.De beslissing

De rechtbank
wijst het verzoek tot wraking van mr. Vinkes af;
bepaalt dat de zaak (met zaaknummer 16/6882) wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking;
beveelt onverwijlde mededeling van deze beslissing aan mr. Swart, mr. Vinkes en de IND.
Deze beslissing is gegeven door mr. P.J. Duinkerken, voorzitter, en mrs. A.M.A.M. Kager en M.A.B. Faber-Siermann, leden, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2016.
jcn