1.2.Aangezien tijdig bezwaar is gemaakt tegen het besluit waarop het verzoek betrekking heeft en deze rechtbank in de hoofdzaak bevoegd zal zijn, is voldaan aan het connexiteitsvereiste. Ook overigens is er geen beletsel het verzoek om een voorlopige voorziening ontvankelijk te achten.
2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers een spoedeisend belang als hiervoor bedoeld hebben, omdat vergunninghouder gebruik kan maken van de verleende omgevingsvergunning.
3. Op grond van artikel 2.10, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de bouwverordening, het Bouwbesluit dan wel de redelijke eisen van welstand. Deze weigeringsgronden zijn limitatief en imperatief van aard. Dit betekent dat de omgevingsvergunning moet worden geweigerd als de bouwactiviteit in strijd is met één of meer toetsingsgronden en dat de omgevingsvergunning moet worden verleend, indien geen sprake is van één van deze weigeringsgronden. Indien dat laatste het geval is, staat het verweerder, gelet op de dwingende formulering van genoemd artikel, niet vrij om een ruimer toetsingskader te hanteren en zal hij ook aan een belangenafweging niet toekomen.
4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de omgevingsvergunning verleend, omdat zich volgens verweerder geen weigeringsgronden als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo voordoen. Verweerder heeft daarbij overwogen dat met de aanvraag en de daarbij overgelegde gegevens aannemelijk is geworden dat het project voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012, de bouwverordening en het geldende bestemmingsplan. Ook is geen sprake van strijd met de redelijke eisen van welstand.
5. Verzoekers stellen zich op het standpunt dat het project op twee punten niet in overeenstemming is het bestemmingsplan. Verzoekers voeren in de eerste plaats aan dat het project uitsluitend is getoetst aan de hoogteregeling van het bestemmingsplan in de bestemming ‘Verkeer-1’. Deze toets is naar de mening van verzoekers niet volledig. Er dient volgens verzoekers ook getoetst te worden aan het voor de weg opgenomen dwarsprofiel. Met de aanleg van de brug en op- en afritten wordt van het in het bestemmingsplan opgenomen dwarsprofiel afgeweken. Dit is in strijd met het bestemmingplan. Door de opschuiving van de brug in westelijke richting komt de brug in de tweede plaats voor een deel in de bestemming ‘Water-1’ te liggen. De functie van het kunstwerk is in strijd met deze bestemming.
6. De voorzieningenrechter overweegt dat het project binnen het bestemmingsplan “Ryptsjerk 2009” (het bestemmingsplan) valt. De brug wordt voor het grootste gedeelte opgericht binnen de bestemming ‘Verkeer-1’. Binnen de bestemming ‘Verkeer-1’ zijn op grond van artikel 18.1 van de planvoorschriften ontsluitingswegen en -straten en paden toegestaan met daarbijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder kunstwerken. Onder kunstwerk moet op grond van de bestemmingsplandefinities worden verstaan een bouwwerk, geen gebouw zijnde, ten behoeve van civieltechnische en/of infrastructurele doeleinden, zoals een brug, een dam, een duiker, een tunnel, een via- of aquaduct of een sluis dan wel een daarmee gelijk te stellen voorziening. Op grond van artikel 18.2.2 van de planvoorschriften geldt dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste vijf meter bedraagt. Niet in geschil is dat het project hier aan voldoet.