Beoordeling van de rechtbank
Een afweging van de persoonlijke belangen van veroordeelde enerzijds en het algemeen maatschappelijk belang anderzijds is, blijkens jurisprudentie van de Hoge Raad, bij de beoordeling niet aan de orde. Als uitgangspunt geldt dat voor een generieke uitzondering voor minderjarigen geen ruimte bestaat. Zodanige generieke uitzondering kan ook niet aan het IVRK worden ontleend.
Desalniettemin ziet de rechtbank reden om in onderhavige zaak een uitzondering te maken. De rechtbank overweegt hierbij het volgende.
In de WDNA is geen termijn opgenomen voor het geven van het bevel tot het afnemen van celmateriaal en er is dan ook geen sanctie verbonden aan het (te) laat afgeven van dit bevel. Uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel (Kamerstukken II 2002-2003, 28 685, nr. 3 p. 32) blijkt dat de wetgever heeft beoogd dat het bevel zo spoedig mogelijk na de veroordeling wordt gegeven.
Kennelijk heeft de wetgever voor ogen gehad de tijd voor het geven van het bevel tot afname na de veroordeling te begrenzen, zonder hieraan evenwel expliciet een termijn te verbinden.
Om voornoemde redenen zal, ingeval duidelijk is dat niet sprake is van “zo spoedig mogelijk na de veroordeling”, een afweging gemaakt moeten worden tussen de in het geding zijnde belangen van opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten en de belangen van de veroordeelde bij het tijdig weten of hij nog verplicht zal worden tot afname van DNA-celmateriaal ten behoeve van opname in de DNA-databank. Bij die afweging speelt de mate van tijdsverloop een rol, de aard en ernst van het onderliggende strafbare feit, maar ook het concrete recidivegevaar, en andere klager betreffende persoonlijke factoren.
In het licht van het voorgaande neemt de rechtbank in dit geval in ogenschouw dat er een termijn van 18 maanden is verstreken tussen de veroordeling en het bevel.
De veroordeling betrof een mishandeling. Klager, toen 12 jaar oud, heeft hiervoor een geheel voorwaardelijke taakstraf opgelegd gekregen. De proeftijd van één jaar was ten tijde van het bevel reeds verstreken.
Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt voorts dat klager een first offender was en dat na bovengenoemde veroordeling in 2014 door de kinderrechter hij niet opnieuw in aanraking is geweest met politie of justitie.
Daarnaast heeft de rechtbank bij haar beoordeling gelet op de zeer jeugdige leeftijd van klager.
Tot slot neemt de rechtbank bij de beoordeling mee dat het haar ambtshalve bekend is dat in jeugdstrafzaken de strafmodaliteit vaak verschilt van het volwassenenstrafrecht. Het pedagogische karakter is immers het uitgangspunt bij bestraffing van minderjarigen. In het onderhavige geval is sprake van een veroordeling voor een mishandeling. De rechtbank is van oordeel dat voor een dergelijk feit een volwassen first offender in beginsel in aanmerking kan komen voor een geldboete. Dat is een strafmodaliteit waarbij geen sprake is van DNA-afname op grond van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. . Alles overwegend, is de rechtbank van oordeel dat een belangenafweging in dit geval met zich meebrengt dat het belang van klager prevaleert. Het bezwaarschrift zal daarom gegrond verklaard worden en bepaald wordt dat het celmateriaal van veroordeelde terstond vernietigd moet worden.