ECLI:NL:RBNNE:2016:3129

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
15 februari 2016
Publicatiedatum
4 juli 2016
Zaaknummer
18-830013-15 ontneming
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na toewijzing schadevergoeding

De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 15 februari 2016 een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €15.244,- door de officier van justitie tegen verdachte. Deze vordering werd ingediend na strafrechtelijke vervolging wegens diefstal en afpersing in vereniging.

Tijdens de terechtzitting op 1 februari 2016 werd tevens de vordering van de benadeelde partij besproken, die een schadevergoeding van €23.689,39 aan materiële schade en €1.900,- aan immateriële schade eiste. De officier van justitie handhaafde de ontnemingsvordering, maar gaf aan dat indien de schadevergoeding volledig zou worden toegewezen, de ontnemingsvordering afgewezen diende te worden.

De raadsman van verdachte sloot zich hierbij aan. De rechtbank heeft vervolgens bij vonnis van 15 februari 2016 de vordering van de benadeelde partij volledig toegewezen en overeenkomstig het verzoek van officier van justitie en raadsman de ontnemingsvordering afgewezen.

De beslissing is genomen op basis van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank concludeerde dat toewijzing van de schadevergoeding de ontnemingsvordering overbodig maakte en wees deze daarom af.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming af na volledige toewijzing van de schadevergoeding aan de benadeelde partij.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18/830013-15 (vordering tot ontneming)
beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 15 februari 2016 op een vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
wonende te [woonplaats] , [woonadres] ,
hierna ook: [verdachte] .

Procesverloop

De officier van justitie heeft d.d. 13 oktober 2015 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan [verdachte] voornoemd de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van € 15.244,- ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling van de vordering heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 1 februari 2016. [verdachte] , diens raadsman, mr. D.C. Keuning, en de officier van justitie zijn op de vordering gehoord.

Beoordeling

Ter terechtzitting van 1 februari 2016 heeft de officier van justitie ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde gerekwireerd tot bewezenverklaring van zowel de diefstal in vereniging voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld, als de afpersing in vereniging.
De officier van justitie heeft tevens aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij volledig dient te worden toegewezen. De vordering van de benadeelde partij bestaat uit
€ 23.689,39 aan materiële schade en € 1.900,- aan immateriële schade.
De officier van justitie heeft ter zitting de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gehandhaafd. Indien door de rechtbank echter de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen, heeft de officier van justitie verzocht om de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel af te wijzen.
De raadsman van verdachte heeft betoogd dat hij zich kan vinden in het standpunt van de officier van justitie.
Nu de rechtbank bij vonnis van 15 februari 2016 de vordering van [benadeelde partij] volledig heeft toegewezen, zal de rechtbank overeenkomstig hetgeen door de officier van justitie en de raadsman is aangevoerd, de vordering van de officier van justitie afwijzen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:
- wijst de vordering van de officier van justitie af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.H.A.M. Voncken, voorzitter, mr. M. Haisma en
mr. A. Jongsma, rechters, bijgestaan door mr. A.C. Fennema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 februari 2016.