ECLI:NL:RBNNE:2016:1821

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
9 maart 2016
Publicatiedatum
15 april 2016
Zaaknummer
C18/165729/PR RK 16-120
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 37 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek wegens ontbreken concrete feiten voor rechterlijke vooringenomenheid

Verzoeker heeft op 8 maart 2015 een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. W.J.A.M. Dijkers, die betrokken is bij een andere procedure. De rechtbank beoordeelt dat op grond van artikel 36 en Pro 37 Rv een wrakingsverzoek concrete feiten en omstandigheden moet bevatten waaruit rechterlijke vooringenomenheid kan worden afgeleid.

In dit geval heeft verzoeker geen concrete feiten aangevoerd die een objectieve vrees voor vooringenomenheid rechtvaardigen. De enkele subjectieve indruk van verzoeker is onvoldoende. Bovendien betreffen de aangevoerde feiten andere rechters en procedures dan die waar het wrakingsverzoek op ziet.

De rechtbank verklaart het verzoek daarom niet-ontvankelijk en oordeelt dat het wrakingsmiddel lichtvaardig en zonder grondslag is ingezet, wat als misbruik van recht wordt beschouwd. Daarom wordt bepaald dat een volgend wrakingsverzoek tegen dezelfde rechter niet in behandeling wordt genomen.

De beslissing is genomen door de meervoudige wrakingskamer van de Rechtbank Noord-Nederland en op 14 maart 2016 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken concrete feiten voor vooringenomenheid rechter.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Meervoudige wrakingskamer
Zittingsplaats Groningen
zaaknummer / rekestnummer: C/18/165729 / PR RK 16-120
Beslissing van 14 maart 2016
op het verzoek van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker.

1.De procedure

Bij brief van 8 maart 2015 heeft verzoeker het verzoek tot wraking ingediend van mr. W.J.A.M. Dijkers, die de procedure met zaaknummer C/18/157159 / HA ZA 15-123 behandelt.
2. Beoordeling
2.1.
Ingevolge artikel 36 Rv Pro kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2.2.
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Daarbij kan rekening worden gehouden met de uiterlijke schijn. Het enkele subjectieve oordeel van verzoeker is niet doorslaggevend.
2.3.
Uit de wet (artikel 36 Rv Pro en artikel 37 Rv Pro) volgt dat een verzoeker concrete feiten en omstandigheden dient aan te voeren waaruit objectief afgeleid kan worden dat de rechter jegens een partij vooringenomen is, of dat de vrees van een partij dat er sprake is van een dergelijke vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is. Alle feiten en omstandigheden moeten tegelijk - in het verzoek - worden voorgedragen.
2.4.
De rechtbank overweegt dat aan het verzoek tot wraking van de rechtbank en/of mr. Dijkers voornoemd, geen concrete feiten of omstandigheden ten grondslag zijn gelegd waaruit vooringenomenheid van de rechter of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor, kunnen worden afgeleid. Voor zover wel feiten zijn gesteld, hebben deze betrekking op andere rechters dan mr. Dijkers en op andere procedures dan die waarin verzoeker het wrakingsverzoek heeft ingediend. Verzoeker zal dan ook aanstonds als kennelijk niet-ontvankelijk in zijn verzoek worden verklaard. Een mondelinge behandeling van het verzoek tot wraking kan daarom achterwege blijven.
2.5.
Omdat door verzoeker het middel van wraking lichtvaardig, want zonder enige grondslag is ingezet, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van misbruik van recht. De rechtbank zal daarom bepalen dat een volgend verzoek tot wraking van de rechter belast met de behandeling van deze zaak van klager niet in behandeling wordt genomen.
2.6.
Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

3.3. De beslissing

De rechtbank
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking;
- bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking van mr. W.J.A.M. Dijkers in de procedure, met zaaknummer C/18/157159 / HA ZA 15-123, niet in behandeling wordt genomen.
Deze beslissing is gegeven door mr. M. Griffioen, voorzitter, mr. B.R. Tromp en
mr. S. Dijkstra en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2016.
js