Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 17 maart 2016 in de zaak tussen
de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor [vestigingsplaats] , verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Op 14 augustus 2014 heb ik van u een papieren aangifte omzetbelasting, juli 2014, ontvangen.
De Belastingdienst streeft ernaar dienstverlening aan te bieden op de manier die belastingplichtigen past. Veel Nederlanders geven de voorkeur aan het digitaal afhandelen van zaken of het digitaal ontvangen van post van de Belastingdienst; 96% van alle aangiften inkomstenbelasting wordt al langs elektronische weg ingediend. (…) Tevens wordt gewerkt aan een vangnet voor burgers die om welke reden dan ook niet in staat zijn om zelf digitaal zaken af te handelen en te communiceren. Het zal ook mogelijk blijven om in individuele gevallen, waarin dat echt nodig is, een papieren kopie van een elektronisch bericht te verstrekken.”.
Bij ministeriële regeling kan worden bepaald:
2. Aangifte door een administratieplichtige als bedoeld in artikel 52, tweede lid, van de wet wordt langs elektronische weg gedaan indien het betreft:
In de tot de onderhavige wijziging geldende tekst van artikel 20, derde lid, van de UR AWR 1994 was de bevoegdheid van de inspecteur opgenomen om al dan niet op verzoek ontheffing te verlenen van de verplichting langs elektronische weg aangifte te doen. Het doen van aangifte op papier is voor de Belastingdienst relatief kostbaar. Naast het logistieke proces om een papieren aangifte te kunnen verstrekken, gaat het dan om kosten voor het verwerken van deze aangiften. Deze aangiften moeten namelijk gescand en ingetoetst worden, zodat de Belastingdienst de aangifte digitaal kan afdoen. Naast de kosten kunnen fouten bij het vertoetsen helaas niet altijd voorkomen worden. De ondernemer kan deze fouten alleen weer herstellen door tegen de belastingaanslag bezwaar te maken (of als het om de voorlopige aanslag inkomstenbelasting gaat, een verzoek om herziening te doen), hetgeen tot extra administratieve lasten en onnodige kosten leidt. Inmiddels verzoekt nog maar een beperkte groep om ontheffing. De redenen om een ontheffing aan te vragen zijn overwegend het niet hebben van een internetaansluiting en het niet kunnen omgaan met een computer. Deze redenen kunnen eenvoudig ondervangen worden hetzij door deze groep zelf, hetzij door (tijdelijke) ondersteuning door de Belastingdienst bijvoorbeeld in de vorm van hulp bij de elektronische aangifte. Gelet op de voordelen van de elektronische aangifte, de kosten voor de Belastingdienst in verband met de papieren aangifte en de daaraan verbonden risico’s, vervalt daarom de ontheffingsmogelijkheid per 1 januari 2012. De verplichting elektronisch aangifte te doen geldt vanaf die datum alleen niet indien de aangifte betrekking heeft op een gedeelte van een tijdvak en de inspecteur daarom een papieren aangiftebiljet uitreikt. Zoals in het algemeen deel van deze toelichting is aangegeven, ziet dit bijvoorbeeld op aangiften inkomstenbelasting situaties van overlijden, immigratie of emigratie en op aangiften omzetbelasting bij ondernemers die in de loop van een tijdvak starten.”
Artikel 9, lid 1, EVRM, beoogt, evenals het daarmee nagenoeg geheel overeenstemmende artikel 18, lid 1, IVBPR, de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst te beschermen, welk recht naar de mede authentieke Engelse tekst van eerstgenoemd verdrag tevens omvat ‘freedom to change his religion or belief and freedom, either alone or in community with others and in public or private, to manifest his religion or belief in worship, teaching, practice and observance’. Hoewel deze vrijheid in de genoemde verdragsbepalingen dus ruim wordt omschreven, vloeit daaruit niet voort dat het een ieder zou vrijstaan zich aan wettelijke voorschriften te onttrekken, ook indien deze geen betrekking hebben op het in enigerlei vorm tot uiting brengen van godsdienst of overtuiging, door op grond van aan zijn godsdienstige opvattingen of overtuiging ontleende bezwaren de nietigheid of ongeldigheid daarvan te zijnen aanzien in te roepen.” Naar het oordeel van de rechtbank heeft de wettelijke verplichting tot het doen van elektronische aangifte en het daarmee noodzakelijkerwijs gemoeide gebruik van internet geen betrekking op enige vorm van het tot uiting brengen van godsdienst of overtuiging. Het internet mag naar de overtuiging van de vennoten weliswaar een verzamelplaats van onwenselijke en onoorbare zaken zijn - een overtuiging die de vennoten ingevolge artikel 9 EVRM Pro, artikel 10 Handvest Pro EU en artikel 18 IVBPR Pro geheel vrijstaat - maar de rechtbank is van oordeel dat de vennoten door het gebruik van internet voor het voldoen aan de elektronische aangifteverplichting niet op enige wijze in de uiting van hun geloofsovertuiging worden beperkt. De rechtbank betrekt daarbij in haar oordeel dat de wijze waarop en de mate waarin van het internet gebruik wordt gemaakt door de gebruiker zelf kan worden bepaald, bijvoorbeeld door het gebruik tot bepaalde websites te beperken en/of het instellen van filters. Om te voorkomen dat zij tijdens het doen van elektronische aangifte op internet geconfronteerd wordt met zaken die niet in overeenstemming zijn met hun geloofsovertuiging, zouden de vennoten van eiseres het gebruik van internet zelfs uitsluitend kunnen beperken tot de site van de Belastingdienst. Eiseres’ stelling dat de verplichting tot het doen van elektronische aangifte in strijd komt met de vrijheid van godsdienst slaagt daarom niet.
Beslissing
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar;
- vernietigt de boetebeschikkingen:
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 328 aan eiseres te vergoeden.