ECLI:NL:RBNNE:2015:6148

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
30 oktober 2015
Publicatiedatum
7 januari 2016
Zaaknummer
18.063986-15
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Wet werk en bijstandArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens bijstandsfraude door niet opgeven inkomsten autohandel

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 30 oktober 2015 een vrouw veroordeeld wegens bijstandsfraude. Zij heeft in de periode van december 2008 tot mei 2013 opzettelijk nagelaten om de bijverdiensten uit autohandel van haarzelf en haar partner op te geven aan de gemeente Smallingerland, waardoor zij ten onrechte een volledige bijstandsuitkering ontvingen.

De rechtbank baseerde haar oordeel op de verklaring van de verdachte en het proces-verbaal van de verbalisant. Het bewezen verklaarde betreft het opzettelijk niet verstrekken van gegevens die van belang waren voor de vaststelling van het recht op bijstand, hetgeen strafbaar is gesteld in artikel 17 van Pro de Wet werk en bijstand.

De rechtbank achtte de verdachte strafbaar en wees geen strafuitsluitingsgronden aan. Bij de strafoplegging werd rekening gehouden met de ernst van het feit, de lange duur van de fraude en het gebrek aan inzicht van de verdachte in haar laakbare handelen. De rechtbank legde een taakstraf van 160 uur op, met een vervangende hechtenis van 80 dagen en een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van twee jaar.

De rechtbank sprak de verdachte vrij van overige tenlasteleggingen die niet bewezen konden worden. Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland te Leeuwarden.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 160 uur taakstraf, 80 dagen vervangende hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18/063986-15
vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 30 oktober 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonadres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 oktober 2015.
De verdachte is verschenen.
Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. Roggen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
zij in of omstreeks de periode van 4 december 2008 tot en met 1 december 2012 en/of de periode van 25 februari 2013 tot en met 31 mei 2013 te [pleegplaats] , gemeente Smallingerland, in elk geval in Nederland, in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 17 van Pro de Wet werk en bijstand, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een WWB-uitkering (bijstand) via de gemeente Smallingerland (naar de norm van een gezin), dan wel voor de hoogte of de
duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft zij, verdachte, aan de (afdeling sociale zaken van de) gemeente Smallingerland opzettelijk in het geheel niet gemeld dat zij en/of haar partner in voormelde periode(n) werkzaamheden hebben/heeft verricht (autohandel) en/of uit die werkzaamheden van autohandel inkomsten hebben/heeft genoten en/of dat hun/haar vermogen (autobezit) (telkens) was toegenomen, dan wel (telkens) gewijzigd, zulks terwijl dat toen (telkens) wel het geval was.
In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in haar belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:
- veroordeling voor het ten laste gelegde;
- oplegging van een werkstraf van 160 uur, subsidiair 80 dagen vervangende hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand, met een proeftijd van twee jaren.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank past met betrekking tot het ten laste gelegde feit de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering:
1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 oktober 2015;
2. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. 95293, d.d. 15 oktober 2014, inhoudende de verklaring van verbalisant.

Redengeving bewezenverklaring

De rechtbank acht de in de bewijsmiddelen opgenomen feiten en omstandigheden redengevend voor hetgeen bewezen is verklaard en op grond daarvan heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:
zij in de periode van 4 december 2008 tot en met 1 december 2012 en in de periode van
25 februari 2013 tot en met 31 mei 2013 te [pleegplaats] , gemeente Smallingerland, in strijd met een haar bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 17 van Pro de Wet werk en bijstand, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een WWB-uitkering (bijstand) via de gemeente Smallingerland (naar de norm van een gezin), dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft zij, verdachte, aan de afdeling sociale zaken van de gemeente Smallingerland opzettelijk in het geheel niet gemeld dat haar partner in voormelde perioden werkzaamheden heeft verricht (autohandel) en uit die werkzaamheden van autohandel inkomsten heeft genoten en dat hun vermogen (autobezit) telkens was toegenomen, dan wel telkens gewijzigd, zulks terwijl dat toen telkens wel het geval was.
De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
In strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl zij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van de hoogte of de duur van een verstrekking of tegemoetkoming, meermalen gepleegd.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het haar betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie alsmede de vordering van de officier van justitie.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan bijstandsfraude. Door na te laten de bijverdiensten van haar partner op te geven aan de sociale dienst, hebben zij en haar partner tijdens deze periode ten onrechte een volledige bijstandsuitkering genoten. Het socialezekerheidsstelsel in Nederland is gebaseerd op onderlinge solidariteit, waarbij het uitgangspunt is dat slechts tegemoetkomingen worden verstrekt aan hen die hier daadwerkelijk recht op hebben. Bijstandsfraude vormt een ernstige ondermijning van het maatschappelijk draagvlak voor het sociale stelsel. De rechtbank neemt verdachte het door haar gepleegde feit kwalijk, temeer nu verdachte ter terechtzitting weinig blijk heeft gegeven van inzicht in het laakbare van haar handelen.
De LOVS-oriëntatiepunten, waarop de rechtbank zich bij het bepalen van de straf mede baseert, houden bij een fraudebedrag als het onderhavige een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee tot vijf maanden dan wel een gelijkwaardige taakstraf in. De rechtbank zal, met name gelet op de relatieve ouderdom van de feiten, geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf maar een forse werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte opleggen. De door de officier van justitie gevorderde straf acht de rechtbank passend.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 227b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot:
Een taakstraf, bestaande uit het verrichten van 160 uren onbetaalde arbeid.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 80 dagen zal worden toegepast.
Een gevangenisstraf voor de duur van één maand.
Bepaalt, dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt haar daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.G. Wijma, voorzitter, mr. M. Brinksma en
mr. C.A.J. Tuinstra, rechters, bijgestaan door mr. J.C. Huizenga, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 oktober 2015.
Mr. Tuinstra is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
w.g.
Wijma
VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT
Brinksma
de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,
Huizenga
locatie Leeuwarden,