Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
vonnis van de kantonrechter ex art. 254 lid 4 Rv Pro d.d. 9 september 2015
[A] , handelend onder de naam [B] ,
[D],
Rechtbank Noord-Nederland
In deze kortgedingprocedure vordert eiser betaling van twee onbetaalde cateringfacturen van in totaal €14.744,09 plus rente en kosten van gedaagde vennootschap en haar bestuurder. Eiser baseert zijn vordering op wanprestatie en bestuurdersaansprakelijkheid. Gedaagden betwisten de facturen, stellen dat de geleverde catering kwalitatief onvoldoende was en dat nacalculatie en overlegging van inkoopbonnen waren afgesproken.
De kantonrechter oordeelt dat voldoende spoedeisend belang aanwezig is, maar dat de vordering slechts toewijsbaar is indien in hoge mate aannemelijk is dat eiser in de bodemprocedure zal winnen. De kantonrechter acht onvoldoende aannemelijk dat sprake was van een nacalculatieafspraak of overlegging van inkoopbonnen. De klachten over de kwaliteit van de catering kunnen niet zonder nadere feitenverzameling worden gepasseerd.
Gezien de principiële aspecten en betwisting van de vordering is kort geding niet geschikt voor een beslissing op de merites. De vorderingen worden afgewezen. De beslagen worden opgeheven vanwege toezegging van de bestuurder. Proceskosten worden deels toegewezen aan gedaagden wegens het grotendeels in het ongelijk stellen van eiser.
Uitkomst: De vorderingen tot betaling van de facturen worden afgewezen en de beslagen worden opgeheven.