ECLI:NL:RBNNE:2015:3284

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
11 juni 2015
Publicatiedatum
7 juli 2015
Zaaknummer
18.267194-14
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 300 SrArt. 359 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Werkstraf voor mishandeling van jongeman na eerdere mishandeling en gedwongen vervoer

Op 17 oktober 2014 mishandelde verdachte een jongeman door meerdere malen tegen zijn hoofd te stompen in een woning te Groningen. Het slachtoffer was kort daarvoor al door drie mannen mishandeld en tegen zijn wil in een auto naar zijn woning vervoerd. Verdachte handelde uit de overtuiging dat het slachtoffer haar dochter iets had aangedaan en speelde daarmee voor eigen rechter.

De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd en sprak haar vrij van overige tenlasteleggingen. De rechtbank vond geen strafuitsluitingsgronden aanwezig en veroordeelde verdachte tot een taakstraf van 60 uur, met een vervangende hechtenis van 30 dagen bij niet-nakoming.

De benadeelde partij had een schadevergoeding van €375,-- gevorderd, maar de rechtbank verklaarde deze vordering niet-ontvankelijk wegens onvoldoende bewijs dat de schade mede door de verdachte was veroorzaakt. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden ingediend.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 60 uur taakstraf met 30 dagen vervangende hechtenis wegens mishandeling.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Strafrecht
Locatie Groningen
Parketnummer: 18/267194-14
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.
11 juni 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats], [woonadres].
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van
28 mei 2015.
Verdachte is verschenen.
Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. E.I. de Ruiter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op of omstreeks 17 oktober 2014,te [pleegplaats],
[slachtoffer] heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd,
te slaan en/of te stompen.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het ten laste gelegde kan worden bewezen.
Standpunt van de verdediging
Verdachte heeft geen opmerkingen over het bewijs gemaakt.
Beoordeling van het bewijs
De rechtbank past met betrekking tot het ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering.
De bekennende verklaring van verdachte op de terechtzitting afgelegd;
Een proces-verbaal van aangifte d.d. 22 oktober 2014, opgenomen op p. 22 e.v. van dossier nummer 2014171685 d.d. 5 december 2014 van Politie Noord-Nederland, inhoudende de verklaring van [slachtoffer].
Bewezenverklaring
Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat
zij op 17 oktober 2014, te [pleegplaats], [slachtoffer] heeft mishandeld door meermalen tegen het hoofd te stompen.
De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:
mishandeling
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis. Hoewel sprake is van eenvoudige mishandeling, houdt de officier van justitie rekening met de context waarin een en ander zich afspeelde. Nadat het slachtoffer al fors was mishandeld door anderen en hij tegen zijn wil in een auto naar zijn woning was vervoerd, stond verdachte hem daar op te wachten en mishandelde zij hem opnieuw.
Standpunt van de verdediging
Verdachte heeft zich niet uitgelaten over de straf.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het haar betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft de ex-vriend van haar dochter mishandeld, nadat hij door medeverdachten al was mishandeld en door hen tegen zijn wil in de auto was vervoerd naar zijn eigen woning. Zij heeft daarmee voor eigen rechter gespeeld, omdat zij in de veronderstelling verkeerde dat het slachtoffer haar dochter iets had aangedaan. Dit rekent de rechtbank verdachte aan. Voor een dergelijk feit is, gezien de hele context van het voorval, een werkstraf op zijn plaats. De rechtbank heeft daarbij rekening gehouden met het feit dat verdachte geen strafblad heeft.

Vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer]heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De vordering bestaat uit € 25,-- aan materiële schade en € 350,-- aan immateriële schade.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering, aangezien niet duidelijk is in hoeverre de schade mede het gevolg is van het handelen van verdachte. Het voert te ver de zaak aan te houden om dat uit te zoeken.
Standpunt van de verdediging
Verdachte heeft aangegeven de schade niet te willen betalen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat zij over onvoldoende informatie beschikt om te kunnen beoordelen of de door aangever geleden schade ook mede het gevolg is van het bewezen verklaarde handelen van verdachte, nu de vordering voornamelijk lijkt te zijn gebaseerd op het eerdere voorval waarbij aangever ernstiger werd mishandeld door de medeverdachten. De rechtbank zal niet overgaan tot schorsing van het onderzoek om dit alsnog te doen aantonen. Dit zal namelijk leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op artikel 300 van Pro het Wetboek van Strafrecht, zoals dit artikel gold ten tijde van het bewezen verklaarde.
DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:
Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verklaart verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een taakstraf, bestaande uit het verrichten van 60 uren onbetaalde arbeid.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 30 dagen zal worden toegepast.
Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.E. Tebbenhoff Rijnenberg, voorzitter, mr. A. Jongsma en mr. J.J. Schoemaker, rechters, bijgestaan door mr. A.J. van Baren, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 juni 2015.
De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.