De rechtbank Noord-Nederland heeft op 26 maart 2015 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte wegens medeplegen van ontuchtige handelingen met een minderjarige stiefzoon in de periode 2005-2007. Verdachte ontkende aanvankelijk, maar bekende later gedeeltelijk. De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte samen met een ander ontuchtige handelingen heeft gepleegd met het slachtoffer, die toen jonger dan zestien was.
De vervolging van het tweede feit, mishandeling van meerdere kinderen, werd niet-ontvankelijk verklaard wegens verjaring. De rechtbank oordeelde dat de politie en het openbaar ministerie geen ernstige procesrechtelijke fouten hadden gemaakt die tot niet-ontvankelijkheid leidden. De verklaringen van het slachtoffer en medeverdachte waren betrouwbaar genoeg, ondanks beperkingen in het ondervragingsrecht.
Verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, lager dan de eis van 3 jaar, mede vanwege het tijdsverloop en de niet-dagelijkse aard van de ontucht. Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €6.000 aan het slachtoffer, vermeerderd met wettelijke rente. De vorderingen van andere benadeelden werden niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank achtte verdachte volledig toerekeningsvatbaar.