ECLI:NL:RBNNE:2014:5546

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
7 november 2014
Publicatiedatum
11 november 2014
Zaaknummer
LEE 14-1475
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering van WW-uitkering na faillissement werkgever en onvoldoende actie van werknemer

In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Nederland op 7 november 2014 uitspraak gedaan in een geschil tussen een eiser, een bouwvakhelper, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. De eiser had een WW-uitkering aangevraagd na het faillissement van zijn werkgever, Bouw- en Aannemersbedrijf Th. de Vries & Zn. B.V., en was niet in aanmerking gekomen voor een uitkering over de periode van 20 juni 2013 tot en met 18 september 2013. De rechtbank heeft vastgesteld dat de eiser niet tijdig en adequaat actie heeft ondernomen om zijn rechten jegens zijn werkgever te doen gelden, ondanks dat hij in het verleden al meerdere keren had aangegeven dat hij achterstallig loon had. De rechtbank oordeelde dat de eiser had moeten zorgen voor een meer gerichte actie, zoals het tijdig in rechte betrekken van zijn werkgever, om zijn vorderingen te kunnen effectueren.

De rechtbank heeft de weigering van de WW-uitkering door de verweerder bevestigd, op basis van de artikelen 2 en 7 van het Maatregelenbesluit. De rechtbank concludeerde dat er geen feiten of omstandigheden waren die een verminderde mate van verwijtbaarheid van de eiser konden onderbouwen, en dat de eiser niet had moeten vertrouwen op de mondelinge mededeling van zijn werkgever dat de betalingen zouden worden ingehaald. De rechtbank verklaarde het beroep van de eiser ongegrond en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd openbaar uitgesproken en partijen werden geïnformeerd over de mogelijkheid om binnen zes weken hoger beroep in te stellen bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 14/1475

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2014 in de zaak tussen

[naam eiser], te Gorredijk, eiser
(gemachtigde: mr. H.B. Th. Koekkoek),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,verweerder
(gemachtigde: T.R. Vallinga).

Procesverloop

Bij besluit van 17 oktober 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat hij over de periode 20 juni 2013 tot en met 18 september 2013 niet in aanmerking komt voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 20 februari 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is met ingang van 15 juli 2009 voor onbepaalde tijd als bouwvakhelper in dienst getreden bij Bouw- en Aannemersbedrijf Th. de Vries & Zn. B.V. te Koudum. Op 17 september 2013 is de werkgever failliet verklaard. Op 19 september 2013 heeft eiser een aanvraag ingediend tot overname van de betalingsverplichtingen van zijn werkgever vanwege betalingsonmacht. Hierbij heeft eiser aangegeven dat tot en met 31 december 2009 het loon volledig is betaald en dat hij vervolgens een voorschot heeft gekregen. Daarnaast heeft eiser aangegeven dat hij op 18 september 2013 voor het laatst heeft gewerkt.
2. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat hij geen uitkering ontvangt over de periode 20 juni 2013 tot en met 18 september 2013. Hiertoe heeft verweerder overwogen dat eiser heeft berust in het feit dat zijn werkgever niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen voortvloeiende uit de dienstbetrekking. Daarnaast heeft verweerder aangegeven dat eiser wel recht heeft op een voorschot op de uitkering wegens betalingsonmacht over de opzegtermijn, welke loopt van 19 september 2013 tot en met 20 oktober 2013.
Beoordeling van het geschil
3. Ingevolge artikel 24, vijfde lid, van de Werkloosheidswet is de werknemer verplicht zich zodanig te gedragen dat hij door zijn doen en laten het Algemeen Werkloosheidsfonds, het sectorfonds of het Uitvoeringsfonds voor de overheid niet benadeelt of zou kunnen benadelen. Onder benadeling in de zin van dit artikel is niet begrepen een gedraging als bedoeld in artikel 25.
4. Op grond van artikel 61 van de WW - voor zover van belang - heeft een werknemer recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk, indien hij van een werkgever, die in staat van faillissement is verklaard, of die anderszins verkeert in de blijvende toestand dat hij heeft opgehouden te betalen, loon, vakantiegeld, of vakantiebijslag te vorderen heeft, niet heeft betaald.
5. Op grond van artikel 64, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW - voor zover hier van belang - omvat het recht op uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW het loon over ten hoogste dertien weken, onmiddellijk voorafgaande aan de dag van opzegging van de dienstbetrekking.
6. Ingevolge artikel 68, eerste lid, van de WW zijn de artikelen 17, 17a, 17b, 18, 19, eerste lid, onderdelen e tot en met m, derde lid, vijfde lid en zevende tot en met tiende lid, 28, 35, 41, 42, 42a en 47 niet van toepassing op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering en de betaling van de uitkering op grond van dit hoofdstuk. Ingevolge het tweede lid zijn, voor zover bij of krachtens dit hoofdstuk niet anders is bepaald, de overige artikelen van deze wet en de daarop berustende bepalingen, voor zoveel nodig, van overeenkomstige toepassing op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering en de betaling van de uitkering op grond van dit hoofdstuk.
7. Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder d, van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten (het Maatregelenbesluit) wordt de hoogte en duur van een, op grond van de in artikel 1, onderdelen b tot en met m, genoemde wetten, op te leggen maatregel, met dien verstande dat de hoogte van de maatregel ten minste € 25 bedraagt, vastgesteld op: d. een blijvend gehele weigering van de uitkering bij verplichtingen uit de vierde categorie, bedoeld in artikel 7, tenzij het niet nakomen van de verplichting de belanghebbende niet in overwegende mate kan worden verweten, in welk geval onderdeel c van toepassing is. Ingevolge het vijfde lid wordt voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel d, bij overtreding van de verplichting, bedoeld in artikel 24, vijfde lid, van de WW, onder blijvend gehele verstaan: a. de gehele uitkering voor de duur dat de verzekerde de aanspraak op loon zou hebben kunnen doen gelden, dan wel de dienstbetrekking zou hebben kunnen voortduren; of b. dat deel van de uitkering dat niet tot uitbetaling zou komen, indien de benadelingshandeling niet had plaatsgevonden.
8. Ingevolge artikel 7, aanhef en onder a, van het Maatregelenbesluit worden de verplichtingen op grond van de in artikel 1, onderdelen b tot en met h, genoemde wetten, ingedeeld in de vierde categorie voor zover zij betrekking hebben op het zich zodanig gedragen dat de belanghebbende door zijn doen en laten het Algemeen Werkloosheidsfonds, het wachtgeldfonds, het Uitvoeringsfonds voor de overheid of het Toeslagenfonds niet benadeelt of zou kunnen benadelen, bedoeld in de artikelen 24, vijfde lid, van de WW, 45, eerste lid, onderdeel j, van de ZW en 13, eerste lid, van de IOW.
9. Eiser heeft aangevoerd dat hij reeds vanaf 2010 bij zijn werkgever de achterstallige betaling heeft aangekaart. Dit standpunt heeft eiser onderbouwt met een verklaring van[naam collega]. Ter zitting heeft eiser aangegeven dat [naam collega] een collega van hem was die heeft gezien dat eiser wekelijks bij de werkgever heeft geïnformeerd naar het achterstallige loon. Daarnaast heeft eiser ter zitting aangegeven dat de grootste schuld een vordering op zijn werkgever betreft uit het jaar 2010, maar dat ook in 2011 en in 2012 ongeveer
€ 1.000,-- per jaar te weinig aan hem is uitbetaald.
10. In gevallen als hier aan de orde wordt, volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep aan de werknemer de eis gesteld dat hij tegenover zijn werkgever voldoende voortvarend en gericht actie onderneemt ter zake van zijn aanspraken op loon, vakantiegeld, vakantiebijslag enzovoorts. Dit betekent dat de werknemer, als de werkgever, na mondeling en schriftelijk te zijn aangemaand, in gebreke blijft de verschuldigde betalingen te voldoen, de werkgever tijdig in rechte dient te betrekken door deze ter zake te dagvaarden om zo zijn vordering op de werkgever geldend te kunnen maken.
11. Van een zodanige actie is in de voorliggende zaak naar het oordeel van de rechtbank geen sprake, nu eiser niet tijdig en adequaat stappen heeft ondernomen om zijn rechten jegens zijn werkgever geldend te maken. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. Niet in geschil is dat eiser in 2010, 2011 en 2012 aanspraak had op loon, vakantiegeld, vakantiebijslag enzovoorts en dat eiser deze tegoeden niet altijd (volledig) van zijn werkgever heeft ontvangen. Gelet op het procesdossier en het verhandelde ter zitting is de rechtbank van oordeel dat eiser, naast het vanaf 2010 aanspreken van zijn werkgever op de achterstallige betalingen, niet tijdig een meer gerichte actie heeft ondernomen, terwijl dit wel van hem mocht worden verwacht. Dat eiser bij brief van 8 april 2013 zijn werkgever in gebreke heeft gesteld omtrent de uitbetaling van zijn salaris acht de rechtbank niet tijdig.
12. Verweerder heeft een blijvend en gehele weigering van de uitkering opgelegd op grond van de artikelen 2 en 7 van het Maatregelenbesluit. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat sprake is van een verminderde mate van verwijtbaarheid in welk geval een matiging van de maatregel is aangewezen. Hierbij betrekt de rechtbank dat eiser geen genoegen had moeten nemen met de mondelinge mededeling van de werkgever dat de betalingen werden ingehaald als het werk in de 'voorraadmap' was afgerond.
13. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder terecht geweigerd heeft om eiser over de periode 20 juni 2013 tot en met 18 september 2013 in aanmerking te brengen voor een WW-uitkering. Het beroep is ongegrond.
14. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, in aanwezigheid van mr. S.I. Havinga, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 november 2014.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.