8.Dexia te veroordelen in de kosten van het geding.
3.2.[A] c.s. stelt dat [B] de overeenkomst alleen op naam en voor rekening van [A] af wilde sluiten. [B] heeft zulks ook meegedeeld aan de medewerker van Dexia, die bij hem thuis langs kwam. Volgens de medewerker van Dexia diende ook de naam van [B] op de overeenkomst te worden vermeld en de medewerker van Dexia heeft vervolgens de overeenkomst op doen stellen.[B] heeft vervolgens de overeenkomst ondertekend als wettelijk vertegenwoordiger van [A] en niet als lessee. Dat de overeenkomst ook alleen voor [A] bedoeld was blijkt ook uit het feit dat de ouders van [A] ook overeenkomsten hadden gesloten op hun eigen naam. Dexia wist dus dat de overeenkomst alleen voor [A] bedoeld was, aldus [A] c.s. De inleg is ook betaald vanaf de bankrekening van [A].
3.3.[A] beroept zich ten aanzien van zijn primaire vorderingen op vernietiging van de overeenkomst ex artikel 1:347 BW. Op grond van artikel 3:53BW werkt vernietiging terug tot het tijdstip waarom de rechtshandeling is verricht. Hierdoor ontstaat voor Dexia de verplichting tot terugbetaling van hetgeen onverschuldigd is betaald. De vernietiging is door zijn moeder als zijn wettelijk vertegenwoordiger ingeroepen bij brief van 5 december 2005 en door hemzelf nogmaals bij brief van 30 maart 2012.
3.4.Ten aanzien van de subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen heeft [A] c.s. aangevoerd dat Dexia haar zorgplicht jegens zowel [A] en [B] heeft geschonden, op grond waarvan Dexia gehouden is de door [A] c.s. geleden schade te vergoeden.
4.1.Met betrekking tot de door de moeder van [A] bij brief van 5 december 2005 ingeroepen vernietiging van de overeenkomst stelt Dexia dat dit niet tijdig is gedaan, nu de wettelijk vertegenwoordiger van [A] op grond van artikel 3:52 lid 1 onder a BW zulks binnen drie jaar na het afsluiten van de overeenkomst had moeten doen. Nu zij dit niet heeft gedaan, is deze rechtsvordering verjaard, zodat buitengerechtelijke vernietiging ook niet meer mogelijk was. Dexia erkent dat [A] zelf bij brief van 30 maart 2012 tijdig een beroep op een vernietigingsgrond heeft gedaan.
4.2.Op grond van het arrest van het Gerechthof 's Gravenhage d.d. 23 oktober 2012 bestaan er volgens Dexia - vanuit de beschermingsgedachte van de artikelen 1:345 en 1:347 BW - geen verplichtingen meer voor [A] jegens Dexia. Dexia betwist dat het rechtsgevolg van de vernietiging is dat de ouders, die in strijd met deze beschermingsregels hebben gehandeld, recht hebben op terugbetaling van hetgeen onder de overeenkomst is betaald. Het arrest biedt volgens Dexia echter geen enkele aanleiding om de ouders terug te betalen voor het speculeren met een aandelenleaseproduct. Dit valt buiten de beschermingsgedachte van de artikelen 1:345 en 1:347 BW.
4.3.Indien de vorderingen van [A] (gedeeltelijk) zouden worden toegewezen, dienen volgens Dexia de bedragen die [A] heeft ontvangen aan dividend en andere uitkeringen, te worden verrekend of op het door [A] gepretendeerde nadeel in mindering te worden gebracht.
4.4.Voorts heeft Dexia gesteld dat de overeenkomst tevens op naam van [B] is gesteld. [B] is volgens Dexia dan ook aan te merken als lessee en hij is naast [A] hoofdelijk aansprakelijk voor de verplichtingen uit de overeenkomst. Ingevolge artikel 6:7 BW heeft hierbij te gelden dat een aantasting inzake het vorderingsrecht van de schuldeiser jegens de ene schuldenaar het vorderingsrecht van de schuldeiser met betrekking tot de andere schuldenaar niet zonder meer beïnvloedt. De tijdige vernietiging door [A] ex artikel 1:345 jo. 1:347 BV heeft dan ook geen gevolgen voor [B], aldus Dexia. In verband met de schending van de zorgplicht kan de vordering van [A] c.s. (subsidiair) worden toegewezen tot een bedrag van
€ 4.120,66, nu de overeenkomst voor [B] een onaanvaardbaar zware financiële last opleverde, zoals bedoeld in de arresten van het Gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009, waardoor Dexia aansprakelijk is voor twee derde van de inleg en de restschuld.
4.5.De vordering tot het doorhalen van de kredietregistratie treft volgens Dexia geen doel omdat er geen registratie (meer) bestaat.
4.6.Tevens betwist Dexia de verschuldigdheid van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten.
De beoordeling van het geschil
5.1.De primaire vordering behelst de vernietiging van de overeenkomst wegens het ontbreken van de toestemming van de kantonrechter voor het aangaan van de overeenkomst. Tussen partijen is niet in geschil dat deze toestemming vereist was. Nu Dexia heeft erkend dat het inroepen van de vernietiging van de overeenkomst tijdig is geschied door het inroepen daarvan door [A] bij brief 30 maart 2012, staat daarmee in rechte vast dat de overeenkomst is vernietigd. Of de vernietiging van de overeenkomst reeds had plaatsgevonden met de brief van de moeder van [A] van 5 december 2005 zal de kantonrechter daarmee in het midden laten, nu een en ander geen gevolgen heeft voor de beoordeling van de vorderingen.
5.2.Op grond van artikel 3:53 lid 1 BW werkt een vernietiging terug tot het tijdstip waarop de rechtshandeling is verricht. Hetgeen door partijen op basis van die overeenkomst is voldaan, is dientengevolge onverschuldigd betaald als bedoeld in artikel 6:203 BW. De kantonrechter kan Dexia niet volgen in haar stelling dat de vernietiging er niet toe zou leiden dat op haar de verplichting rust om hetgeen onverschuldigd aan haar is voldaan, aan [A] terug te betalen. [A] was immers zowel de contractspartij - en daarmee degene op wie de verplichting tot betaling rustte - als degene die succesvol de vernietiging van de overeenkomst heeft ingeroepen. Op grond daarvan dienen de prestaties die onder de overeenkomst zijn verricht - over en weer - ongedaan te worden gemaakt.
5.3.De vordering tot terugbetaling van hetgeen [A] aan Dexia heeft voldaan, is dan ook toewijsbaar. Op die betalingsverplichting dient in mindering te komen hetgeen [A] ter zake van de overeenkomst van Dexia heeft ontvangen. Dexia heeft weliswaar bij conclusie van antwoord een overzicht overgelegd met bedragen, doch naar het oordeel van de kantonrechter blijkt daaruit onvoldoende welke bedragen exact in mindering dienen te strekken op hetgeen Dexia aan [A] dient te voldoen. Dexia zal de in de gelegenheid worden gesteld om dit nader toe te lichten. [A] zal vervolgens hierop bij antwoordakte mogen reageren.
5.4.De door [A] gevorderde rente is naar het oordeel van de kantonrechter verschuldigd met ingang van de datum waarop Dexia met terugbetaling van hetgeen op de voet van de overeenkomst onverschuldigd is betaald in verzuim is geraakt. Voor het toewijzen van de wettelijke rente vanaf de dag van de door [A] gedane betalingen, zoals door [A] gevorderd, ontbreekt iedere grondslag. Dat Dexia bij het sluiten van de overeenkomst te kwader trouw zou zijn geweest, zoals [A] heeft gesteld, heeft hij niet nader toegelicht. De kantonrechter stelt de ingangsdatum van de wettelijke rente op 2 april 2012, zijnde de datum waarop de vernietigingsbrief van [A] bij Dexia is binnengekomen. De kantonrechter vermag niet in te zien waarom, zoals door Dexia gesteld, de wettelijke rente twee weken na ontvangst van die brief zou gaan lopen.
5.5.Vervolgens moet worden vastgesteld of [B] de overeenkomst uitsluitend voor [A] is aangegaan of dat [B] de overeenkomst daarnaast voor zichzelf heeft afgesloten. De enkele vermelding van zijn naam op de overeenkomst is naar het oordeel van de kantonrechter daartoe onvoldoende. Immers, de overeenkomst vermeld als lessee "De heer[A en/of De heer B]". , Deze vermelding brengt niet zonder meer met zich dat beide personen gebonden zijn en derhalve hoofdelijk aansprakelijk zijn voor nakoming van de verplichtingen uit de overeenkomst. Deze onduidelijkheid in de tenaamstelling dient naar het oordeel van de kantonrechter in beginsel voor rekening en risico van Dexia als professionele contractspartij te komen. Dexia heeft voorts niet gemotiveerd weersproken dat [B] aan de medewerker van Dexia kenbaar heeft gemaakt dat hij de overeenkomst op naam en voor rekening van [A] wilde aangaan. Tevens staat vast dat de inleg ten laste van de bankrekening van [A] is betaald. Onder deze omstandigheden moet het er naar het oordeel van de kantonrechter voor worden gehouden dat [B] de overeenkomst uitsluitend op naam en voor rekening van [A] is aangegaan. [B] is naar het oordeel van de kantonrechter dan ook geen contractspartij bij de onderhavige overeenkomst.
5.6.Voor zover [A] c.s. heeft gevorderd Dexia te veroordelen tot doorhaling van de achterstandcodering bij het BKR overweegt de kantonrechter dat - los van het feit dat een dergelijke bevoegdheid alleen het BKR toekomt - hij Dexia daartoe niet zal veroordelen nu
Dexia onweersproken heeft gesteld dat er geen registratie bij het BKR (meer) bestaat.
5.7.Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.