ECLI:NL:RBNNE:2014:1482
Rechtbank Noord-Nederland
- Voorlopige voorziening
- K. Wentholt
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking toestemming beveiligingswerkzaamheden
Verzoeker, werkzaam in de beveiligingsbranche, kreeg op 24 januari 2014 de toestemming voor beveiligingswerkzaamheden ingetrokken door de korpschef van de Nationale Politie op grond van artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr. Dit besluit volgde op eerdere veroordelingen van verzoeker wegens mishandeling in december 2010, waarvan één veroordeling onherroepelijk was en een andere nog in hoger beroep was. Verzoeker stelde zich op het standpunt dat hij mocht vertrouwen op eerdere gesprekken met de politie en dat de werkstraf die hij had uitgevoerd gelijkwaardig was aan een vrijheidsstraf, waardoor intrekking onterecht was.
De voorzieningenrechter overwoog dat de korpschef beoordelingsvrijheid heeft bij het bepalen of iemand betrouwbaar is voor beveiligingswerkzaamheden en dat hogere eisen gelden in deze sector. Hoewel de werkstraf gelijkgesteld mag worden aan een vrijheidsstraf, is het niet relevant dat deze al is uitgevoerd. De belangenafweging is beperkt omdat iemand die niet aan de betrouwbaarheidseisen voldoet niet mag worden toegelaten. Verzoekers beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen ondubbelzinnige toezegging was gedaan.
De voorzieningenrechter vond dat de korpschef terecht een serieuze verdenking kon aannemen en dat het niet meenemen van de geringe kans op recidive een herstelbaar gebrek is. Er was geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen, zodat het verzoek werd afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tegen de intrekking van de toestemming voor beveiligingswerkzaamheden wordt afgewezen.