ECLI:NL:RBNNE:2013:CA3949
Rechtbank Noord-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Erfdienstbaarheid recht van weg beperkt tot gebruik te voet door verjaring motorvoertuiggebruik
In deze zaak staat de erfdienstbaarheid van een recht van weg centraal, gevestigd in 1978 bij een ruilverkavelingsakte. Eiseres [A] vordert bevestiging dat het recht van weg, inclusief gebruik met motorvoertuigen, nog steeds geldt, terwijl gedaagde [B] betwist dat het recht nog bestaat en stelt dat het is verjaard. De rechtbank onderzoekt de inhoud van de erfdienstbaarheid, de wijze van uitoefening en de vraag of verjaring heeft plaatsgevonden.
De rechtbank stelt vast dat de erfdienstbaarheid oorspronkelijk het recht omvatte om met een wagen over het perceel van [B] te rijden, en dat dit recht ook de ontsluiting naar de openbare weg omvat. Echter, door langdurige niet-gebruik met motorvoertuigen en het bestaan van een met de erfdienstbaarheid strijdige toestand (zoals bomen op het pad), is het recht van weg per motorvoertuig verjaard volgens artikel 3:106 BW Pro. Het recht van weg te voet is echter niet verjaard omdat het pad nog steeds begaanbaar is.
Verder oordeelt de rechtbank dat het gebruik van een alternatief perceel van Staatsbosbeheer door [A] niet als een redelijk alternatief kan worden beschouwd, omdat dit gebruik slechts wordt gedoogd en geen erfdienstbaarheid is verkregen. De rechtbank wijst de vorderingen van [B] tot opheffing of beperking van de erfdienstbaarheid af, en veroordeelt [B] om het pad vrij te maken voor voetgangers. De vorderingen van [A] worden deels toegewezen, waarbij het recht van weg te voet wordt bevestigd en het tracé vrijgemaakt moet worden.
Tot slot wordt [B] veroordeeld in de proceskosten, en wordt het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De rechtbank wijst de overige vorderingen af.
Uitkomst: Het recht van weg per motorvoertuig is verjaard, het recht van weg te voet blijft bestaan en het pad moet vrijgemaakt worden voor voetgangers.