De moeder, belast met het gezag over haar minderjarige kind, is samen met het kind naar Bulgarije geremigreerd met medeweten en begeleiding van het bureau jeugdzorg Groningen (bjz). De vader betwist de bevoegdheid van de Nederlandse rechter om het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling te behandelen, omdat het kind zijn gewone verblijfplaats in Bulgarije heeft.
Bjz had een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling ingediend, uit vrees dat de moeder met het kind mogelijk terug zou keren naar Nederland. De kinderrechter hield een zitting met gesloten deuren, waarbij de vader, zijn raadsvrouw en een vertegenwoordiger van bjz aanwezig waren.
De rechter overwoog dat de remigratie naar Bulgarije niet tijdelijk is en dat de gewone verblijfplaats van het kind op het moment van het verzoek in Bulgarije is. Op grond van artikel 8, eerste lid, Brussel II bis is de Nederlandse rechter daarom niet bevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling.
De kinderrechter verklaarde zich dan ook onbevoegd. Tegen deze beschikking kan binnen drie maanden hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.