Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
1.De procedure
- het tussenvonnis van 27 juni 2012
- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 21 september 2012
- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 11 december 2012
- de conclusie na getuigenverhoor van [eiser]
- de conclusie na getuigenverhoor van [gedaagde]
- de akte van [eiser].
2.De verdere beoordeling
nietworden geconcludeerd dat de door [gedaagde] gestelde eis van schriftelijke vastlegging van de gemaakte afspraken een opschortende voorwaarde was voor het bestaan van finale overeenstemming tussen partijen. Uit de verklaringen van de getuigen [A] en [C] volgt dat zij meenden dat "
het voor [eiser] duidelijk was dat er zonder schriftelijke vastlegging van de afspraken geen contract zou zijn", doch dit is niet meer dan een veronderstelling van betrokkenen. Niet is komen vast te staan dat van de zijde van [gedaagde] - op wier weg dit lag - expliciet aan [eiser] te kennen is gegeven dat er zonder schriftelijke vastlegging geen finale overeenstemming over voortzetting van het sponsorcontract zou zijn. Het betoog van [gedaagde] aangaande het bestaan van een opschortende voorwaarde voor overeenstemming wordt naar het oordeel van de rechtbank ook ontkracht door de omstandigheid dat - zo blijkt genoegzaam uit voormelde getuigenverklaringen - [gedaagde] harerzijds uitvoering heeft gegeven aan de gemaakte afspraken, terwijl er nog géén schriftelijk en door beide partijen ondertekend contract lag. Met name de verklaring van getuige [B] is in dit verband illustratief. Hij verklaart immers dat [gedaagde] naar aanleiding van de ten huize van [eiser] gemaakte afspraken het vervolgtraject in werking heeft gezet. Dat [gedaagde] de gemaakte afspraken ondanks het ontbreken van schriftelijke vastlegging daarvan heeft uitgevoerd, blijkt naar het oordeel van de rechtbank eveneens uit de omstandigheid dat [eiser] met een delegatie van [gedaagde] - waaronder de bij het maken van de afspraken aanwezige [A] - naar Amsterdam is afgereisd om kleding te bestellen.
eenzijdigevaststelling zijdens [eiser] - in de brief van zijn advocaat van 8 september 2011 - dat [gedaagde] in verzuim verkeert en dat de sponsorovereenkomst uit dien hoofde wordt ontbonden.