ECLI:NL:RBNNE:2013:5284

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
5 februari 2013
Publicatiedatum
3 september 2013
Zaaknummer
C/18/137318 FA RK 12-2397
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • D.A. Flinterman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:250 BWartikel 42 uitvoeringsbesluit wet op de jeugdzorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek bijzondere curator voor minderjarige in pleegzorgsituatie

De pleegouders en pleeggrootouders verzochten de rechtbank om op grond van artikel 1:250 BW Pro een bijzondere curator te benoemen, bij voorkeur een gedragsdeskundige gespecialiseerd in pleegzorg, voor de minderjarige [D. 1]. Dit verzoek kwam voort uit zorgen over de besluitvorming en omgangsregeling rondom de verblijfplaats van de minderjarige, die sinds februari 2012 in een observatiepleeggezin verblijft. De pleegouders voerden aan dat BJZ onvoldoende de belangen van het kind behartigt en dat er geen schriftelijke, pedagogisch onderbouwde omgangsregeling is vastgesteld tussen de minderjarige en zijn zus.

BJZ verzocht het verzoek af te wijzen en stelde dat er geen sprake is van een belangenconflict of verstrengeling. BJZ gaf aan een onafhankelijk onderzoek te willen laten uitvoeren door een orthopedagoog die bekend is bij BJZ, maar niet eerder betrokken was bij de zaak. De rechtbank heeft vastgesteld dat de pleegouders niet tegen de observatieplaatsing waren, maar tegen de mogelijke perspectiefbiedende plaatsing, welke BJZ ontkende.

De rechtbank oordeelde dat BJZ als professional het belang van de minderjarige zal behartigen en dat er geen aanwijzingen zijn voor belangenverstrengeling. De medewerking van de pleegouders aan het voorgestelde deskundigenonderzoek biedt voldoende bescherming van hun belangen. Daarom werd het verzoek om een bijzondere curator te benoemen afgewezen en de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Het verzoek tot benoeming van een bijzondere curator wordt afgewezen wegens ontbreken van belangenverstrengeling.

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht
zaaknr.: 137318 / FA RK 12-2397
beschikking d.d. 12 februari 2013
in de zaak van:

[A.]

hierna te noemen de pleegouders,
en

[B.]

hierna te noemen de pleeggrootouders v.z.,
en

[C.]

hierna te noemen de pleeggrootouders m.z.,
verzoekers,
advocaat mr. M. Kramer te Amsterdam,
en

Stichting Bureau Jeugdzorg Groningen,

gevestigd te Groningen, Waterloolaan 1, Postbus 1203, 9701 BE Groningen,
verweerder,
hierna te noemen bjz,
gemachtigden D.P. Feitsma en mr. J.A. Nieman

PROCESVERLOOP

De pleegouders en pleeggrootouders v.z. en m.z. hebben op 7 november 2012 ter griffie van de rechtbank Groningen een verzoekschrift met bijlagen ingediend. Daarin wordt verzocht om voor de minderjarige [D. 1], op grond van artikel 1:250 BW Pro een bijzondere curator te benoemen, een gedragsdeskundige (i.c. een (ortho)pedagoog of psycholoog) met als specialisatie pleegzorg, die onderzoek kan doen naar de gewenste verblijfplaats van [D. 1] en de voor hem gewenste omgangsregeling en de beschikking, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Bjz heeft geen verweerschrift ingediend.
De Wet herziening gerechtelijke kaart is op 1 januari 2013 in werking getreden.
De rechtbanken Assen, Groningen en Leeuwarden vormen met ingang van die datum tezamen de nieuwe rechtbank Noord-Nederland. Het rechtsgebied van deze rechtbank beslaat de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen. De zaak wordt daarom verder behandeld en beslist door de rechtbank Noord-Nederland.
De rechtbank heeft partijen, bijgestaan door hun raadslieden, gehoord ter zitting met gesloten deuren van 20 december 2012, in aanwezigheid van A.I. van Dijk namens de Raad voor de Kinderbescherming te Groningen (verder te noemen de Raad).

RECHTSOVERWEGINGEN

Bij beschikking van 25 mei 2009 van de Rechtbank Rotterdam is bjz Zuid-Holland belast met de voogdij over de minderjarige [D. 2]
Bij beschikking van 6 juli 2010 van deze rechtbank is bjz Zuid-Holland ontslagen van de voogdij over voornoemde minderjarige en is bjz Groningen belast met de voogdij over voornoemde minderjarige [D. 1].
Vaststaande feiten
* [D. 1]door [F.] erkend [… 2]
- nadat de vader van de kinderen hun moeder had gedood is BJZ belast met de voogdij;
- op 13 augustus 2009 is [D. 1] geplaatst in het pleeggezin [… 1];
- [D. 1] is in februari 2012 geplaatst in een observatiepleeggezin en verblijft daar nog steeds op overbruggingsbasis voor een periode van een half jaar.
Standpunt van de pleegouders
De moeder van [E.] is overleden op 17 maart 2009. De vader van [E.] heeft de moeder omgebracht en is gedetineerd. Sinds 13 augustus 2009 zorgen de pleegouders voor [D. 1] en zijn oudere zusje [E.], die eveneens onder voogdij van bjz staat.
[D. 1] is in februari 2012 door bjz ter observatie in een pleeggezin geplaatst. [E.] woont nog bij de pleegouders.
De pleegouders hebben intensieve ondersteuning (IPG) voor [D. 1] gehad met positief resultaat. [D. 1] is door de kinderpsychiater gediagnosticeerd met een stoornis in het autismespectrum. Hij heeft speciale aandacht nodig in de vorm van regels en structuur. Hiervoor is [D. 1] onder behandeling geweest bij Lentis.
De pleegouders hebben met pijn in hun hart ingestemd met een overplaatsing van [D. 1] door bjz naar een observatiegezin. De pleegouders zijn door bjz overreed met sterke beloften over hun voortgezette belangrijke rol in het leven van [D. 1]. Door de voogd is zelfs gesteld dat zij altijd zijn “ouders” zouden blijven en er werd de pleegouders een gedegen omgang toegezegd. Bovendien zou het contact tussen [D. 1] en [E.] behouden worden.
De positie van de kinderen is naar de mening van de pleegouders zeer kwetsbaar omdat zij al op jonge leeftijd hun moeder zijn verloren en hun vader gedetineerd is. Bovendien is de overige biologische familie van de kinderen in het buitenland woonachtig. De pleegouders willen er daarom voor de kinderen zijn en voor hen betrouwbare opvoeders zijn. De pleeggrootouders zijn voor de kinderen hun familie en zij willen graag hun opa en oma-rol voor de kinderen blijven vervullen.
De verzoekers zijn van mening dat bjz in haar hoedanigheid van voogd de belangen van [D. 1] onvoldoende behartigt. Bjz handelt zelfs in strijd met de belangen van [D. 1] vanwege onduidelijke, niet schriftelijk, en onzorgvuldige besluitvorming met betrekking tot zijn huidige verblijfplaats. In een gesprek met bjz hebben pleegouders nu vernomen dat de observatieplaatsing van [D. 1] in het observatiegezin zal worden omgezet in een perspectiefbiedende plaatsing.
Bjz laat ook na een gedegen en goed onderbouwde omgang tussen [D. 1] en [E.] op te stellen. De huidige regeling is een mondelinge regeling waarbij het veel te lang heeft geduurd voordat [D. 1] en [E.] elkaar te zien kregen na zijn overplaatsing. Daarbij worden de pleegouders zeer kort van tevoren geïnformeerd over de omgangsregeling en blijkt dat de voogd niet eens op de hoogte is van de omgangsregeling.
Tot op heden is er geen omgangsregeling, op schrift en pedagogisch onderbouwd, vastgesteld tussen [D. 1] en [E.], de pleegouders en de pleeggrootouders.
Er is alleen door notabene de pleegzorgmedewerker in een mail gesteld dat er zo eens in de ongeveer 6 weken contact moet zijn tussen [D. 1] en [E.]. Alle betrokkenen zijn dus overgeleverd aan de willekeur van de uitvoerend voogd/bjz.
De verzoekers zijn van mening dat [D. 1] gebaat is bij een onafhankelijke deskundige die aan hem wordt toegevoegd.
De bijzondere curator kan onafhankelijk onderzoek doen en adviseren en aangeven bij welke besluitvorming [D. 1] het meest gebaat is. De verzoekers verzoeken daarbij de bijzondere curator expliciet de vraag voor te leggen of plaatsing van [D. 1] bij de pleeggrootouders v.z. (Stam) tot de mogelijkheden behoort.
Gezien de opstelling van bjz is er aanleiding om een dergelijk onderzoek onafhankelijk van bjz te laten plaatsvinden.
De verzoekers kunnen niet goed beoordelen of bjz voldoet aan de verplichtingen die op bjz rusten conform artikel 42 van Pro het uitvoeringsbesluit van de wet op de jeugdzorg, omdat zij van bjz niet tot nauwelijks zicht krijgen op [D. 1]. Zij hebben hierbij sterke twijfels.
Bjz betrekt de pleegouders niet bij de besluitvorming over [D. 1], terwijl zij jarenlang en van jongs af aan voor hem hebben gezorgd en hem als geen ander kennen.
Bjz dient op een goede wijze invulling te geven aan de rol van pleegouders en pleeggrootouders in het leven van [D. 1].
Er is nu sprake van een overplaatsing na drie jaar en een verblijf in het huidige observatiegezin dat zonder enige onderbouwing dreigt te worden vastgelegd in een perspectiefbiedend gezin.
Nu aan de gronden van artikel 1:250 BW Pro is voldaan dient in het belang van [D. 1] een (hechtings)deskundige te worden benoemd als bijzondere curator.
Standpunt van bjz
Bjz verzoekt de verzoeken van de pleegouders af te wijzen. Er is geen sprake van een conflict of belangenverstrengeling, dit is ook niet aangetoond. Bjz heeft contact gezocht met het Nederlands Instituut van Psychologen. Het is niet gewenst het onderzoek te geven aan dezelfde persoon als eerder betrokken is geweest. Bjz verlangt daarom een onafhankelijk onderzoek. Bjz oppert mevrouw de Jong, zij is bij bjz bekend als een onafhankelijke orthopedagoog en een prima onderzoeker. Mevrouw de Jong wordt vaker door bjz ingezet. De advocaat van de pleegouders heeft ook contact gezocht met mevrouw de Jong om haar te bevragen over de onafhankelijkheid.
Beoordeling
Zowel bjz als de pleegouders waren het er over eens dat het op enig moment niet goed ging met [D. 1] in het pleeggezin [… 1]. Het is de rechtbank gebleken dat de pleegouders niet zozeer tegen een observatieplaats waren als wel tegen het feit dat het erop lijkt dat die plaatsing perspectiefbiedend werd. Bjz heeft dit laatste weersproken en ook onderbouwd met het argument dat zij juist een deskundigenonderzoek wensten (en wensen) te laten uitvoeren door mevrouw A. de Jong. De pleegouders zijn verzocht om hieraan medewerking te verlenen. In een dergelijke medewerking van de pleegouders ligt naar het oordeel van de rechtbank, voldoende bescherming van hun belang en daarmee tevens in een deel van het belang van [D. 1] opgesloten. Voorts mag van een professional als bjz verwacht worden dat zij bij uitstek het belang van de minderjarige zal behartigen, de rechtbank ziet daarom geen belangenverstrengeling tussen bjz en [D. 1] en zal daarom geen bijzondere curator benoemen. Dat verzoek zal worden afgewezen.

BESLISSING

wijst het verzoek om een bijzondere curator te benoemen af;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.A. Flinterman, rechter, en uitgesproken door deze ter openbare terechtzitting van 12 februari 2013 in tegenwoordigheid van A. den Held als griffier.
De griffier deelt mede, dat partijen tegen deze beschikking in hoger beroep kunnen gaan bij het Gerechtshof te Leeuwarden. Dit beroep dient door partijen te worden ingesteld binnen drie maanden na de datum van de uitspraak. Deze datum staat in de beschikking vermeld.
Voor de partij, die in deze procedure niet is verschenen, vangt de termijn van drie maanden aan na de betekening van deze beschikking aan hem/haar in persoon dan wel op het moment, waarop deze beschikking aan hem/haar op andere wijze is bekend geworden, of - voor zover het een beschikking betreft, waarbij de echtscheiding, de scheiding van tafel en bed of de ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed is uitgesproken - op het moment, waarop deze beschikking aan hem/haar op andere wijze is betekend en door plaatsing van een uittreksel daarvan in de Staatscourant openlijk bekend is gemaakt.
Het beroep moet namens een partij worden ingesteld door een advocaat. Als u in aanmerking wilt komen voor door de overheid (gedeeltelijk) gefinancierde rechtsbijstand, dan kan uw advocaat daartoe namens u een verzoek indienen bij de Raad voor Rechtsbijstand. Uw advocaat kan u daaromtrent nader informeren.