De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 25 februari 2013 de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van schuldheling van ijzer en koperdraad in de periode mei tot juni 2011. Verdachte was werkzaam in de ijzer- en metaalhandel en had meerdere keren metalen ontvangen van een bekende koper die hij al vijftien jaar kende en vertrouwde.
De officier van justitie stelde dat verdachte een onderzoeksplicht had en dat hij de herkomst van de metalen had moeten betwijfelen, omdat de koper niet had verteld dat hij bij een sloperij werkte. Verdachte verklaarde dat hij legitimatie vroeg bij onbekenden, maar niet bij deze koper, vanwege de langdurige relatie. De koper leverde geen verdachte waar zoals nieuwe koperdraden of ongebruikelijke hoeveelheden.
De rechtbank oordeelde dat verdachte niet wist en redelijkerwijs niet had kunnen vermoeden dat de metalen van een misdrijf afkomstig waren. Gezien het soort goederen en de relatie met de koper rustte er geen nadere onderzoeksplicht op verdachte. Daarom werd verdachte vrijgesproken van schuldheling.
De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer onder voorzitterschap van M.R. de Vries, met Sikkema en Vlietstra als rechters, op 25 februari 2013 in Leeuwarden.