ECLI:NL:RBNHO:2026:992

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
C/15/372305 / JU RK 25-1712
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:113 BWArt. 7 Brussel II terArt. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling wegens huiselijk geweld en ontwikkelingsbedreiging minderjarigen

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers om de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen te verlengen. De kinderen en hun ouders hebben de Bulgaarse nationaliteit en wonen in Nederland. De ondertoezichtstelling was eerder opgelegd vanwege zorgen over huiselijk geweld gepleegd door de vader.

Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, waren de ouders en vertegenwoordigers van de GI aanwezig, met tolken voor de Bulgaarse taal. De kinderen maakten geen gebruik van de mogelijkheid om hun mening te geven. De moeder erkent inmiddels de problematiek en staat open voor hulpverlening, terwijl de vader de hulpverlening inmiddels is gestart.

De kinderrechter oordeelt dat de ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen nog niet is weggenomen en dat vrijwillige hulpverlening onvoldoende is gebleken vanwege wisselende medewerking van de ouders. Daarom is verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk om de hulpverlening te borgen en de omgang tussen vader en kinderen te monitoren.

De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt. Tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam binnen drie maanden na uitspraak of betekening.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarigen wordt verlengd met één jaar en de beschikking is direct uitvoerbaar.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/372305 / JU RK 25-1712
Datum uitspraak: 27 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ( [land] ),
hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,
[de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ( [land] ),
hierna te noemen: [de minderjarige 2] ,
hierna tezamen ook te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Akkas uit Amsterdam,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna tezamen ook te noemen: de ouders.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 24 november 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 januari 2026. Daarbij waren op het eerste tijdstip aanwezig de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk in de Bulgaarse taal, en de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
Op het tweede tijdstip waren aanwezig de vader, bijgestaan door een tolk in de Bulgaarse taal, en de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld zijn mening over het verzoek kenbaar te maken. Hij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De moeder, de vader, [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben de Bulgaarse nationaliteit.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .
2.3.
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 28 januari 2025 [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 28 januari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te verlengen voor de duur van één jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ter onderbouwing van het verzoek heeft de GI het volgende naar voren gebracht.
3.2.
Er bestaan zorgen over huiselijk geweld. Er zijn signalen van intiem terreur, maar er moet nader worden onderzocht of hiervan sprake is. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn in april 2025 met de moeder verhuisd naar de Blijfgroep. Tot op heden erkent de moeder de problematiek niet en is zij wisselend in haar wens om terug te gaan naar de vader. De vader ontkent dat huiselijk geweld heeft plaatsgevonden. De GI vindt het van belang dat de ouders passende hulpverlening krijgen om aan de problematiek te werken. De vader heeft zich na herhaaldelijk aandringen van de GI uiteindelijk aangemeld voor hulpverlening van De Waag. Deze hulpverlening zal in maart starten en zal naar verwachting zes tot twaalf maanden duren. De moeder is ook ingeschreven voor hulpverlening van De Waag. Verder krijgt de moeder opvoedondersteuning en zijn vanuit de Blijfgroep twee maatschappelijkwerkers en een kind-maatschappelijkwerker betrokken.
3.3.
Daarnaast is van belang dat in kaart wordt gebracht of de kinderen individuele hulpverlening nodig hebben, zoals traumabehandeling. De GI wil deze hulpverlening pas inzetten als de kinderen een vaste woonplek hebben. Ook wil de GI in de komende periode blijven monitoren dat dat [de minderjarige 1] op een passende manier met zijn omgeving blijft communiceren. Hij heeft selectief mutisme. Bij aanvang van de ondertoezichtstelling communiceerde [de minderjarige 1] verbaal zelden. Vanaf de plaatsing bij de Blijfgroep is een verandering met betrekking tot zijn communicatie te zien. Hij spreekt vaker.
3.4.
Verder moet in de komende periode duidelijk worden hoe de omgang tussen de vader en de kinderen eruit komt te zien. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hadden eerst alleen via videobellen contact met de vader. Inmiddels hebben zij twee keer fysiek omgang met de vader gehad op het kantoor van de GI. Deze omgangsmomenten werden begeleid door de GI en verliepen fijn.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder is primair verzocht het verzoek af te wijzen en subsidiair het verzoek voor een kortere periode, bijvoorbeeld voor zes maanden, toe te wijzen. Hiertoe is het volgende naar voren gebracht. De moeder begrijpt de zorgen van de GI. Zij heeft op dit moment geen contact meer met de vader. Bij de Blijfgroep gaat het goed met haar en de kinderen. Hier krijgen zij de benodigde hulp. De moeder volgt een weerbaarheidstraining bij de Blijfgroep, is ingeschreven voor hulpverlening van De Waag en de moeder staat ook achter de inzet van hulpverlening voor de [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Omdat de moeder open staat voor hulpverlening, kan die ook in een vrijwillig kader plaatsvinden en is een ondertoezichtstelling niet nodig. Subsidiair is de moeder van mening dat niet goed is onderbouwd waarom een verlenging van de ondertoezichtstelling voor twaalf maanden nodig zou zijn.
4.2.
De vader heeft verzocht het verzoek voor de duur van zes maanden toe te wijzen en over zes maanden te kijken of een ondertoezichtstelling nog nodig is. In de komende maanden kan dan worden gewerkt aan de relatie tussen de vader en de kinderen. De vader stelt het belang van de kinderen voorop en wil dat zij veilig opgroeien. De vader heeft van De Waag begrepen dat hij de eerstvolgende op de wachtlijst is en dat hij dus bijna kan starten met de hulpverlening.

5.De beoordeling

5.1.
Door de omstandigheid dat de ouders en de kinderen de Bulgaarse nationaliteit hebben, moet eerst de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek van de GI. Aangezien de gewone verblijfplaats van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zich in Nederland bevindt, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ter zake van het verzoek (ex artikel 10:113 BW Pro jo. artikel 7 Brussel Pro II ter).Vervolgens is de vraag aan de orde welk recht op het verzoek van toepassing is. Dat is in dit geval het Nederlands recht (ex artikel 15 Haags Pro Kinderbeschermingsverdrag 1996).
5.2.
Uit de stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De zorgen die ten grondslag liggen aan de ondertoezichtstelling zijn nog niet voldoende weggenomen. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn in april 2025 samen met de moeder verhuisd naar een woning van de Blijfgroep wegens huiselijk geweld gepleegd door de vader. Pas recent is sprake van een positieve ontwikkeling. De moeder erkent nu dat de thuissituatie voor de kinderen niet veilig was en dat hulp voor het gezin nodig is. Er is daardoor rust gekomen bij de ouders en kinderen en het lijkt ook beter te gaan met de ontwikkeling van [de minderjarige 1] , zoals met zijn selectief mutisme. De kinderrechter acht het van belang dat de ouders beiden meewerken aan hulpverlening, zoals de hulpverlening van De Waag, zodat zij [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] een veilige opvoedsituatie kunnen bieden. Ook moet worden gekeken of de kinderen individuele hulpverlening nodig hebben, bijvoorbeeld gericht op trauma. Daarnaast is van belang dat wordt gekeken hoe de omgang tussen de kinderen en de vader kan worden vormgegeven.
5.3.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat de ouders weliswaar beiden open staan voor hulpverlening, maar zij (met name de moeder) tot op heden wisselend zijn in hun medewerking hieraan. De kinderrechter is daarom van oordeel dat het noodzakelijk is dat de GI als onafhankelijke derde bij het gezin betrokken blijft om de reeds ingezette hulpverlening te borgen, te kijken welke hulpverlening nog meer moet worden ingezet en te kijken hoe de omgang tussen de kinderen en de vader kan worden vormgegeven. Gelet op de aanwezige problematiek en de in te zetten hulpverlening, zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verlengen met één jaar.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van
[de minderjarige 1]en
[de minderjarige 2]tot 28 januari 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026 door mr. A.K. Mireku, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. E.C.W. Coesel als griffier, en op schrift gesteld op 4 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.