ECLI:NL:RBNHO:2026:99

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
10977637 / CV EXPL 24-668
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schadevergoeding na vermeende duw in ruzie tussen buren

In deze zaak vordert eiser, [eiser], een schadevergoeding van € 22.000,00 van gedaagde, [gedaagde], in haar hoedanigheid als erfgename van de heer [betrokkene]. De vordering is gebaseerd op de stelling dat [betrokkene] op 3 juni 2021 eiser een duw heeft gegeven, waardoor zij ten val is gekomen en schade heeft geleden. De kantonrechter heeft echter geoordeeld dat eiser niet in het bewijs is geslaagd dat [betrokkene] daadwerkelijk een duw heeft gegeven. De kantonrechter heeft de camerabeelden bekeken en vastgesteld dat er geen bewijs is dat eiser is gevallen door een duw van [betrokkene]. De verklaringen van getuigen ondersteunen de stelling van eiser niet voldoende. Daarom heeft de kantonrechter de vordering van eiser afgewezen.

Daarnaast heeft gedaagde een tegenvordering ingesteld, waarin zij onder andere een contactverbod en smartengeld vordert van eiser. De kantonrechter heeft ook deze vorderingen afgewezen, omdat er onvoldoende bewijs is dat eiser onrechtmatig heeft gehandeld. De kantonrechter heeft de proceskosten gecompenseerd, zodat iedere partij de eigen kosten draagt. Het vonnis is uitgesproken op 14 januari 2026.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 10977637 \ CV EXPL 24-668 WD
Vonnis van 14 januari 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: ARAG Rechtsbijstand,
tegen
[gedaagde], in haar hoedanigheid van erfgename van de heer [betrokkene] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
De heer [betrokkene] zal worden aangeduid als [betrokkene] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de tegen [betrokkene] uitgebrachte dagvaarding;
- de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie van [betrokkene] ;
- het tussenvonnis van 10 april 2024;
- de akte uitlating bevoegdheid en vermindering van eis van [eiser] van 8 mei 2024;
- de akte uitlating bevoegdheid van [betrokkene] 8 mei 2024;
- het tussenvonnis van 5 juni 2024;
- de op 31 oktober 2024 van de zijde van [eiser] ingekomen producties;
- het op 4 november 2024 ingekomen bericht van overlijden van [betrokkene] ;
- het namens de kantonrechter op 6 november 2024 verzonden bericht dat de zaak is geschorst tot 7 mei 2025;
- de akte uitlaten voortzetten procedure van [eiser] van 7 mei 2025;
- de conclusie van repliek van [eiser] van 4 juni 2025;
- de mondeling genomen conclusie van dupliek van [gedaagde] van 2 juli 2025 en de daarbij gevoegde stukken;
- het tussenvonnis van 16 juli 2025;
- de mondelinge behandeling van 16 december 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
Voorafgaande aan de mondelinge behandeling zijn van de zijde van [eiser] de volgende stukken ingekomen:
- de conclusie van antwoord in reconventie, met producties;
- de op 10 december 2025 ingekomen “bijlage 1”.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 3 juni 2021 is in de voortuin van [betrokkene] en [gedaagde] een ruzie ontstaan tussen [betrokkene] en [gedaagde] enerzijds en [eiser] , haar zoon [zoon] en zijn (toenmalig) vriendin [vriendin] anderzijds.
2.2.
Op dezelfde dag heeft [eiser] bij de politie aangifte gedaan tegen [betrokkene] .
2.3.
Eveneens op dezelfde dag heeft de politie [betrokkene] aangehouden, naar het politiebureau gebracht en in een politiecel geplaatst, waar hij de nacht van 3 op 4 juni 2021 heeft doorgebracht.
2.4.
Op 10 augustus 2021 heeft de Officier van Justitie besloten om [betrokkene] - onder voorwaarden, waaronder een proeftijd niet te vervolgen.
2.5.
Op 27 oktober 2021 heeft [eiser] zich op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering bij het gerechtshof beklaagd over de beslissing van de Officier van Justitie.
2.6.
Naar aanleiding van de klacht heeft de advocaat- generaal op 20 december 2021 een schriftelijk advies aan het gerechtshof uitgebracht. Het advies bevat een zakelijke weergave van de zich in het politiedossier bevindende (getuigen)verklaringen.
2.7.
Op 26 maart 2022 heeft het gerechtshof besloten het beklag af te wijzen.

3.Het geschil

de vordering
3.1.
[eiser] vordert na vermindering van eis - samengevat - veroordeling van [betrokkene] tot betaling van € 22.000,00, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[eiser] voert daartoe - kort gezegd - het volgende aan. [betrokkene] heeft [eiser] op 3 juni 2021 een duw gegeven. [eiser] is daardoor op straat gevallen en heeft een kwetsuur aan haar rechterarm en pols opgelopen. Als gevolg daarvan heeft [eiser] schade geleden. Deze schade bestaat uit materiele schade (medische kosten, kosten huishoudelijke hulp en inkomensschade) en immateriële schade. De totale schade bedraagt € 22.000,00. [gedaagde] als erfgename van [betrokkene] dient deze schade aan [eiser] te vergoeden.
3.3.
[gedaagde] voert als verweer aan - onder meer - dat [betrokkene] [eiser] niet heeft geduwd.
de tegenvordering
3.4.
[gedaagde] vordert na vermeerdering van eis bij dupliek dat de kantonrechter:
(i) aan [eiser] , [zoon] en [vriendin] een contactverbod oplegt;
(ii) [eiser] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 10.000,00 aan smartengeld;
(iii) [eiser] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 456,46;
(iv) [zoon] veroordeelt tot het betalen van een bedrag van € 4.000,00 aan smartengeld.
3.5.
[eiser] voert verweer.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

de vordering
4.1.
Deze zaak draait om de vraag of [gedaagde] als weduwe en erfgename van [betrokkene] gehouden is om aan [eiser] een schadevergoeding van € 22.000,00 te betalen. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] geen schadevergoeding aan [eiser] hoeft te betalen. De kantonrechter legt uit waarop zij dit oordeel baseert.
4.2.
Voor het aannemen van aansprakelijkheid is vereist dat komt vast te staan dat [betrokkene] [eiser] een duw heeft gegeven en dat [eiser] als gevolg daarvan is gevallen. Als [betrokkene] [eiser] heeft geduwd en [eiser] als gevolg daarvan is gevallen, heeft hij onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld en zou hij op grond van de wet [1] gehouden zijn geweest de daardoor door [eiser] geleden schade te vergoeden. Omdat [eiser] zich ter onderbouwing van haar vordering beroept op de stelling dat zij ten val is gekomen als gevolg van een door [betrokkene] gegeven duw, en [betrokkene] c.q. [gedaagde] dit heeft betwist, rust op [eiser] de last om dit te bewijzen [2] . De partij ( [eiser] dus) die de bewijslast heeft van een bepaald feit, draagt het risico dat zij niet in dat bewijs slaagt en dat, in voorkomend geval, haar vordering daarom wordt afgewezen.
4.3.
De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] niet in het bewijs is geslaagd. De kantonrechter kan namelijk op grond van de uit het procesdossier blijkende informatie niet met voldoende zekerheid vaststellen dat [eiser] als gevolg van een duw van [betrokkene] ten val is gekomen.
4.4.
De stelling van [eiser] dat zij als gevolg van een duw van [betrokkene] ten val is gekomen wordt enkel ondersteund door de door [eiser] bij haar aangifte van 3 juni 2021 bij de politie afgelegde verklaring [3] en de twee door haar zoon ( [zoon] ) schriftelijk afgelegde verklaringen. [4] Beiden hebben aldaar verklaard dat [eiser] als gevolg van een duw van [betrokkene] is gevallen
4.5.
De juistheid van de te bewijzen stelling blijkt echter niet uit de andere in dit geding overgelegde bewijsmiddelen.
4.6.
Van de ruzie zijn camerabeelden beschikbaar die zijn opgenomen met de door [betrokkene] en [gedaagde] aan hun woonhuis bevestigde camera [5] . De kantonrechter heeft de camerabeelden bekeken en daarbij vastgesteld dat op de camerabeelden niet valt waar te nemen dat [eiser] is gevallen. De kantonrechter heeft er nota van genomen dat [eiser] stelt dat zij op de aan de voortuin van [betrokkene] en [gedaagde] grenzende stoep is gevallen en dat het zicht van de camera op die precieze plek wordt geblokkeerd door een grote haag. Uit de reactie van de aanwezige omstanders- voor zover zichtbaar op de camerabeelden- valt echter ook niet op te maken dat [eiser] is gevallen. Bij deze omstanders is geen verandering in hun houding en gezichtsuitdrukking (bijvoorbeeld schrikkend) te zien; en ook maken zij geen fysieke bewegingen richting de grond. Een dergelijke reactie zou wel voor de hand liggen als je iemand voor je ziet vallen op de grond door een duw.
4.7.
Van verschillende ter plaatse aanwezige personen heeft de politie direct of kort na aanvang van het voorval verklaringen opgenomen. [eiser] heeft deze verklaringen niet overgelegd, maar wel de door de advocaat- generaal gemaakte zakelijke samenvatting van de door [vriendin] en [naam] afgelegde verklaringen [6] .
4.8.
Beiden maken in hun verklaring weliswaar melding van een hardhandige en agressieve handelwijze van [betrokkene] , maar geen van beiden heeft expliciet verklaard dat [eiser] daardoor is gevallen.
Daarbij komt dat [vriendin] blijkens de samenvatting de rode en blauwe plekken op de arm van [eiser] -in tegenstelling tot [eiser] - niet wijt aan een val, maar aan de hardhandige wijze waarop [betrokkene] [eiser] zou hebben vastgepakt.
4.9.
Al met al kan uit het beschikbare bewijsmateriaal niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat [eiser] ten val is gekomen als gevolg van een duw van [betrokkene] . Het procesdossier bevat onvoldoende objectieve aanknopingspunten daarvoor. De te bewijzen stelling wordt enkel ondersteund door een eigen verklaring van [eiser] (partijgetuige) en door twee verklaringen van [zoon] (de zoon van [eiser] ). De twee laatstgenoemde verklaringen zijn pas naderhand - gedurende deze procedure - opgesteld en in tegenstelling tot de overige getuigenverklaringen niet kort na het voorval. Dit doet afbreuk aan de waarde van deze verklaringen. Om die reden kent de kantonrechter aan de door [zoon] afgelegde verklaringen geen doorslaggevende betekenis in het voordeel [eiser] toe.
4.10.
Omdat de door [eiser] aan haar vordering ten grondslag gelegde duw en val niet komen vast te staan, zal de kantonrechter de vordering van [eiser] afwijzen.
de tegenvordering
4.11.
Voor zover de vorderingen zich richten tegen [zoon] en [vriendin] , kunnen deze niet worden toegewezen, omdat zij geen partij zijn in dit geding.
4.12.
Over de jegens [eiser] ingestelde vorderingen overweegt de kantonrechter als volgt.
4.13.
[gedaagde] vordert dat de kantonrechter [eiser] een contactverbod oplegt. Voor het opleggen van een dermate vergaande maatregel is vereist dat komt vast te staan dat [eiser] zich zodanig onrechtmatig gedraagt jegens [gedaagde] , dat deze maatregel is gerechtvaardigd. Het gaat dan om vergrijpen als stelselmatig stalken of belagen. De kantonrechter is echter van oordeel dat de hiervoor door [gedaagde] aangedragen feiten en omstandigheden van onvoldoende gewicht zijn om deze maatregel op te leggen.
4.14.
[gedaagde] vordert dat de kantonrechter [eiser] veroordeelt om een bedrag van
€ 10.000,00 aan smartengeld te betalen. Voor het toewijzen van smartengeld is vereist dat komt vast te staan dat [eiser] onrechtmatig jegens [betrokkene] en/ of [gedaagde] heeft gehandeld. De kantonrechter kan niet vaststellen dat [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld. Het doen van aangifte bij de politie is op zichzelf niet onrechtmatig. Hetzelfde geldt voor het instellen van een rechtsvordering. De kantonrechter kan niet vaststellen dat [eiser] bewust een onjuiste aangifte heeft gedaan of bewust ten onrechte een rechtsvordering tegen [betrokkene] heeft ingesteld.
4.15.
De kantonrechter kan zich indenken dat het incident van 3 juni 2021 grote impact op [betrokkene] en [gedaagde] heeft gehad. Deze impact is vergroot door de beslissing van de politie om [betrokkene] , ondanks de medische omstandigheden waarin hij op dat moment verkeerde, aan te houden en op te sluiten in een politiecel. De impact en het verdriet daarvan kunnen echter juridisch gezien niet aan [eiser] worden toegerekend. De kantonrechter zal de vordering tot het betalen van smartengeld afwijzen.
4.16.
[gedaagde] vordert dat [eiser] wordt veroordeeld tot het vergoeden van een bedrag van € 456,46 aan reiskosten in verband met een vlucht vanuit Ierland naar Nederland. De kantonrechter zal die vordering afwijzen, omdat daarvoor onvoldoende grondslag is aangevoerd.
de vordering en de tegenvordering4.17. Omdat partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, zal de kantonrechter de proceskosten tussen partijen compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter
de vordering en de tegenvordering
5.1.
wijst de door partijen in gestelde vorderingen af,
5.2.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. Lourens en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.

Voetnoten

1.Zie artikel 6:162 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW)
2.Zie artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)
3.Zie productie 2 bij dagvaarding
4.Zie bijlage 1 bij de op 31 oktober 2024 door [eiser] overgelegde stukken en productie 1 bij conclusie van repliek
5.Zie bijlage B bij de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie
6.Zie productie 5 bij dagvaarding