ECLI:NL:RBNHO:2026:979

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
C/15/373113 / JU RK 25-1842
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige wegens onhoudbare thuissituatie

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West Zuid-Holland verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige, die eerder tijdelijk thuis was geplaatst maar een flinke terugval vertoonde. De minderjarige toonde toenemende zelfbepalend gedrag, liep regelmatig weg en veroorzaakte spanningen in de thuissituatie. De ouders stonden achter de huidige plaatsing bij een woongroep, waar de minderjarige inmiddels verblijft.

De kinderrechter constateerde dat de eerdere thuisplaatsing waarschijnlijk te snel was en dat het zelfbepalende gedrag in de thuissituatie snel terugkeerde, wat leidde tot onveiligheid. De minderjarige gaf aan niet meer thuis te willen wonen. De huidige plaatsing bij de woongroep biedt nabijheid en professionele begeleiding, gericht op emotieregulatie en dagbesteding.

De kinderrechter oordeelde dat een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De machtiging wordt verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling, tot 8 juli 2026, en de beschikking is direct uitvoerbaar. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De kinderrechter verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige tot het einde van de ondertoezichtstelling wegens onhoudbare thuissituatie.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/373113 / JU RK 25-1842
Datum uitspraak: 23 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West Zuid-Holland,
hierna te noemen: de GI,
wonende in Leiden,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ( [land] ),
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de vader 1],
hierna te noemen: [de vader 1] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen in [plaats] , feitelijk wonende in [plaats] ,
[de vader 2],
hierna te noemen: [de vader 2] ,
wonende in [plaats] ,
hierna gezamenlijk te noemen: de ouders,
advocaat: mr. L. Rijsdam te Leiden.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 15 december 2025;
  • de verwijzingsbeschikking van rechtbank Den Haag van 19 december 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de ouders met hun advocaat;
  • de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening te geven, maar [de minderjarige] heeft daar geen gebruik van gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft bij een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
2.3.
De kinderrechter van rechtbank Den Haag heeft op 8 april 2025 [de minderjarige] voorlopig onder toezicht, welke ondertoezichtstelling vervolgens bij beschikking van 16 april 2025 definitief is uitgesproken en duurt tot 8 juli 2026.
2.4.
Op 8 april 2025 is tevens een spoedmachtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp, welke machtiging bij beschikking van 16 april 2025 is verlengd en heeft geduurd tot 8 november 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI heeft het verzoek als volgt toegelicht. De afgelopen periode is met een opbouwschema gewerkt aan thuisplaatsing van [de minderjarige] . Eind oktober 2025 is hij uitgeschreven bij de accommodatie [accommodatie] en volledig terug naar huis gegaan. De thuisplaatsing is helaas niet succesvol gebleken en er is in een korte periode sprake van een flinke terugval geweest. In september 2025 is [de minderjarige] opnieuw gestart met school, maar hij is daar weinig geweest en uiteindelijk helemaal afgehaakt. In de thuissituatie namen de spanningen en conflicten ondertussen toe, waarbij [de minderjarige] regelmatig wegliep en enkele dagen wegbleef. Ook zijn zelfbepalende gedrag nam toe en de ouders waren hierin handelingsverlegen. [de minderjarige] geeft zelf aan dat hij niet meer thuis wil en kan zijn. In samenspraak met de ouders en de hulpverlening is gezocht naar een alternatief. Sinds
8 december 2025 verblijft [de minderjarige] bij woongroep [woongroep] in [plaats] . Een professionele omgeving is op dit moment noodzakelijk en passend bij de mogelijkheden en motivatie van [de minderjarige] . Een machtiging tot uithuisplaatsing zorgt voor duidelijkheid voor iedereen, ook wanneer eventueel meer weerstand komt tegen de plaatsing.
3.3.
De GI heeft hier ter zitting aan toegevoegd dat de komende periode gewerkt zal worden aan een dagbesteding via Chapter Next, waarbij ook via een lichte vorm van onderwijs wordt toegewerkt aan terugkeer naar school. Daarnaast zal op korte termijn besproken worden wat vanuit [woongroep] ingezet kan worden om [de minderjarige] te helpen met zijn agressieregulatie. Tot slot zal de komende periode duidelijk moeten worden wat het perspectief van [de minderjarige] is. Tot die tijd kan hij bij [woongroep] blijven. Deze plek is op dit moment het meest passend.

4.De standpunten

4.1.
De ouders en hun advocaat hebben ter zitting aangegeven dat de ouders achter de plaatsing van [de minderjarige] bij [woongroep] staan. Zij zouden graag willen dat [de minderjarige] uiteindelijk weer thuis komt wonen, maar dat is nu geen optie. De ouders maken zich met name zorgen over het gebrek aan dagbesteding, waardoor [de minderjarige] niks omhanden heeft en zijn zelfbepalende gedrag. Hij loopt nog steeds weg en gebruikt dan middelen. Bij [woongroep] is sprake van meer nabijheid van de begeleiders, wat de ouders een positief verschil met de eerdere gesloten plaatsing bij [accommodatie] vinden.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. [1] Achteraf bezien is de thuisplaatsing van [de minderjarige] waarschijnlijk te snel geweest. Het zelfbepalende gedrag dat [de minderjarige] eerder liet zien, is in de thuissituatie namelijk snel weer teruggekomen. Als [de minderjarige] begrensd wordt, nemen zijn boosheid en agressie toe, wat onveiligheid in de thuissituatie heeft opgeleverd. [de minderjarige] geeft aan niet meer thuis te willen en kunnen wonen en ook de ouders staan voor nu achter de huidige plaatsing van [de minderjarige] bij [woongroep] , waar hij inmiddels een maand verblijft. [de minderjarige] lijkt bij [woongroep] op zijn plek. Hier wordt hem nabijheid geboden en zal de komende periode gewerkt worden aan zijn emotieregulatie en zelfbepalende gedrag. Ook zal gewerkt worden aan een dagbesteding. Het is in het belang van [de minderjarige] en zijn ouders dat de komende periode ook aandacht wordt besteed aan waar hij uiteindelijk zal gaan wonen, zodat iedereen duidelijkheid krijgt over het perspectief van [de minderjarige] . De kinderrechter zal dan ook een machtiging verlenen om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 9 juli 2026.
5.2.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van
[de minderjarige]in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 23 januari 2026 tot 8 juli 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026 door
mr. A.K. Mireku, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. A. Fröberg als griffier, en op schrift gesteld op 29 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.