ECLI:NL:RBNHO:2026:951

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
15/660354-10
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6:26 SvArt. 6:1:22 SvArt. 76 Sr (oud)Art. 70 SrArt. 3 onder B Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek tot kwijtschelding ontnemingsmaatregel wegens verjaring

De verzoeker is bij vonnis van 30 juli 2014 veroordeeld wegens het opzettelijk telen van ongeveer 410 hennepplanten, een strafbaar feit onder de Opiumwet. Bij dat vonnis is tevens een ontnemingsmaatregel van € 32.699,67 opgelegd, welke onherroepelijk werd op 28 mei 2015.

In oktober 2025 diende de raadsvrouw van de verzoeker een verzoek in tot kwijtschelding of vermindering van deze ontnemingsvordering. Primair werd verzocht het gehele bedrag kwijt te schelden, subsidiair om vermindering wegens betalingsonmacht. Tijdens de zitting stelde de raadsvrouw dat de verzoeker niet-ontvankelijk verklaard moest worden omdat de tenuitvoerleggingstermijn was verstreken.

Het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) bevestigde dat de zaak in december 2023 was gesloten wegens verjaring. De officier van justitie steunde dit standpunt. De rechtbank oordeelde dat de tenuitvoerleggingstermijn van acht jaar, vermeerderd met een derde, was verstreken op 22 november 2023, waardoor uitvoering van de maatregel niet meer mogelijk is.

Daarom heeft de rechtbank de verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot kwijtschelding of vermindering van de ontnemingsmaatregel.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de verzoeker niet-ontvankelijk omdat de tenuitvoerleggingstermijn van de ontnemingsmaatregel is verstreken.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Raadkamernummer : 25/028948 (15/660354-10 (P))
Datum : 3 februari 2026
Beslissing van de meervoudige (openbare) raadkamer op het verzoek op grond van artikel 6:6:26 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres],
voor deze procedure woonplaats kiezend op het kantoor van zijn raadsvrouw
mr. S.P. Koerselman, Cyclaamrood 11, 2718 SE in Zoetermeer,
hierna te noemen: de verzoeker.

Feiten

Bij vonnis van deze rechtbank van 30 juli 2014 is de verzoeker veroordeeld ter zake van het in zijn strafzaak als volgt bewezenverklaarde:
hij op tijdstippen in de periode van 1 mei 2010 tot en met 12 augustus 2010 te Nieuw-
Vennep, gemeente Haarlemmermeer, telkens opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de Leden perceel 5 een hoeveelheid van ongeveer 410 hennepplanten, zijnde hennep een middel
als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Bij uitspraak van dezelfde datum is het wederrechtelijk verkregen voordeel, verkregen door
middel van of uit baten van dit strafbare feit berekend op € 32.699,67 en is aan de
verzoeker de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat opgelegd. Dit vonnis is onherroepelijk geworden op 28 mei 2015.

Procedure

Het verzoek tot kwijtschelding dan wel vermindering van de ontnemingsvordering is op 27 oktober 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Op 16 december 2025 is van het CJIB een reactie op het ingediende verzoek ontvangen.
De rechtbank heeft op 20 januari 2026 het verzoek ter terechtzitting behandeld. De rechtbank heeft daarbij de officier van justitie, mr. R. Visser, de verzoeker en zijn raadsvrouw, mr. S.P. Koerselman, op zitting gehoord.

Verzoek

In het verzoekschrift heeft de raadsvrouw namens de verzoeker gesteld dat het recht tot
tenuitvoerlegging van de ontnemingsmaatregel reeds in 2023 is verjaard. Primair heeft zij verzocht om het gehele aan verzoeker opgelegde ontnemingsbedrag kwijt te schelden en te bepalen dat verzoeker geen verdere betalingen
verschuldigd is ter zake van de opgelegde betalingsverplichting. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat sprake is van betalingsonmacht en heeft zij om die reden verzocht de aan verzoeker opgelegde betalingsverplichting te verminderen tot een bedrag van € 2.500,-, althans tot een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag en te bepalen dat verzoeker dit bedrag mag voldoen in maandelijkse termijnen van € 50,-.
Anders dan in het verzoekschrift heeft de raadsvrouw zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de verzoeker niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoek. Het CJIB heeft de betalingsverplichting reeds gesloten wegens verjaring van de tenuitvoerleggingstermijn, waardoor de verzoeker geen belang meer heeft bij zijn verzoek.

Advies van het CJIB

Het CJIB heeft bij brief van 16 december 2025 te kennen gegeven dat zij de zaak reeds op 28 december 2023 hebben gesloten, omdat de zaak verjaard is. Het CJIB adviseert de verzoeker derhalve niet-ontvankelijk te verklaren.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich gelet op de verjaring van de zaak op het standpunt gesteld dat de verzoeker niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoek.

Beoordeling

Ontvankelijkheid verzoeker
De rechtbank dient de (voor)vraag te beantwoorden of de opgelegde ontnemingsmaatregel nog kan worden tenuitvoergelegd.
Artikel 6:1:22 Sv Pro (evenals artikel 76, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) oud zoals dit gold ten tijde van het opleggen van de ontnemingsmaatregel in 2014) bepaalt dat het recht tot uitvoering van de straf of maatregel vervalt door verjaring. Deze tenuitvoerleggingstermijn is op grond van het tweede lid van dat artikel een derde langer dan de termijn van verjaring van het recht tot strafvordering.
De rechtbank stelt het volgende vast. De verzoeker is op 30 juli 2014 veroordeeld vanwege – kort gezegd – hennepteelt. Hennepteelt is verboden bij artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet (OW) en strafbaar gesteld bij artikel 11, tweede lid, OW. Blijkens dat artikel wordt opzettelijke overtreding van artikel 3 onder Pro B OW bestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren. Gelet op artikel 70, eerste lid, onder 2, Sr verjaart de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel opgelegd wegens overtreding van artikel 3 onder Pro B OW dan ook in acht jaren. [1]
Het ontnemingsvonnis van 30 juli 2014 is onherroepelijk geworden op 28 mei 2015. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de tenuitvoerleggingstermijn van acht jaren reeds op 22 november 2023 [2] is verstreken en de ontnemingsmaatregel daarmee niet meer geëxecuteerd kan worden. De verzoeker heeft dan ook geen belang meer bij zijn verzoek en de rechtbank zal hem daarin niet-ontvankelijk verklaren.

Beslissing

De rechtbank verklaart de verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Deze beslissing is genomen door
mr. K.I.E. Lammers, voorzitter,
mr. C.S. Schoorl en mr. A.K. Korteweg, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. E. Saelens
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 februari 2026.

Voetnoten

1.Zes jaren ex artikel 70, eerste lid, onder 2, Sr vermeerderd met een derde ex artikel 76, tweede lid, Sr (oud) evenals art. 6:1:22 tweede Pro lid Sv.
2.Na 8 jaar en 179 dagen (opschortingstermijn detentie ex artikel 76a, derde lid, Sr (oud)).