ECLI:NL:RBNHO:2026:946
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- K.I.E. Lammers
- C.S. Schoorl
- A.K. Korteweg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot kwijtschelding ontnemingsvordering wegens onvoldoende betalingsonmacht
De verzoeker is bij vonnis van 5 augustus 2008 veroordeeld voor meerdere strafbare feiten, waaronder hennepteelt en diefstal door middel van verbreking. Bij uitspraak van 17 april 2009 is een ontnemingsvordering van €120.120 opgelegd, die onherroepelijk werd op 30 augustus 2010.
De verzoeker heeft op 27 oktober 2025 een verzoek ingediend tot kwijtschelding of vermindering van deze ontnemingsvordering, stellende dat sprake is van betalingsonmacht en dat de tenuitvoerleggingstermijn is verjaard. Het CJIB heeft echter aangegeven dat de executie is gestaakt wegens verjaring, maar het Openbaar Ministerie betwist dit en stelt dat de termijn nog niet is verstreken.
De rechtbank oordeelt dat de tenuitvoerleggingstermijn van zestien jaren op 31 augustus 2010 is gaan lopen en pas op 22 februari 2027 zal verjaren, rekening houdend met opschortingstermijnen. De verzoeker is ontvankelijk in zijn verzoek, maar heeft onvoldoende onderbouwd dat hij permanent betalingsonmachtig is. De rechtbank constateert dat de verzoeker sinds het onherroepelijk worden van het vonnis betalingen heeft verricht en momenteel als zzp'er en huismeester werkt.
Daarom wijst de rechtbank het verzoek tot kwijtschelding of vermindering van de ontnemingsvordering af, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat de verzoeker niet in staat is de betalingsverplichting na te komen.
Uitkomst: Het verzoek tot kwijtschelding of vermindering van de ontnemingsvordering wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van betalingsonmacht.