ECLI:NL:RBNHO:2026:946

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
15/661138-08
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 11 lid 2 OpiumwetArt. 70 lid 1 onder 2 Wetboek van StrafrechtArt. 70 lid 1 onder 3 Wetboek van StrafrechtArt. 76 lid 1 Wetboek van Strafrecht (oud)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot kwijtschelding ontnemingsvordering wegens onvoldoende betalingsonmacht

De verzoeker is bij vonnis van 5 augustus 2008 veroordeeld voor meerdere strafbare feiten, waaronder hennepteelt en diefstal door middel van verbreking. Bij uitspraak van 17 april 2009 is een ontnemingsvordering van €120.120 opgelegd, die onherroepelijk werd op 30 augustus 2010.

De verzoeker heeft op 27 oktober 2025 een verzoek ingediend tot kwijtschelding of vermindering van deze ontnemingsvordering, stellende dat sprake is van betalingsonmacht en dat de tenuitvoerleggingstermijn is verjaard. Het CJIB heeft echter aangegeven dat de executie is gestaakt wegens verjaring, maar het Openbaar Ministerie betwist dit en stelt dat de termijn nog niet is verstreken.

De rechtbank oordeelt dat de tenuitvoerleggingstermijn van zestien jaren op 31 augustus 2010 is gaan lopen en pas op 22 februari 2027 zal verjaren, rekening houdend met opschortingstermijnen. De verzoeker is ontvankelijk in zijn verzoek, maar heeft onvoldoende onderbouwd dat hij permanent betalingsonmachtig is. De rechtbank constateert dat de verzoeker sinds het onherroepelijk worden van het vonnis betalingen heeft verricht en momenteel als zzp'er en huismeester werkt.

Daarom wijst de rechtbank het verzoek tot kwijtschelding of vermindering van de ontnemingsvordering af, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat de verzoeker niet in staat is de betalingsverplichting na te komen.

Uitkomst: Het verzoek tot kwijtschelding of vermindering van de ontnemingsvordering wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van betalingsonmacht.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Raadkamernummer : 25/028947 (15/661138-08 (P))
Datum : 3 februari 2026
Beslissing van de meervoudige (openbare) raadkamer op het verzoek op grond van artikel 6:6:26 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres],
voor deze procedure woonplaats kiezend op het kantoor van zijn raadsvrouw
mr. S.P. Koerselman, Cyclaamrood 11, 2718 SE in Zoetermeer,
hierna te noemen: de verzoeker.

Feiten

Bij vonnis van deze rechtbank van 5 augustus 2008 is de verzoeker veroordeeld ter zake van:
ten aanzien van feit 1: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef,
onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 2: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder
zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;
ten aanzien van feit 3: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 4: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.
Bij uitspraak van 17 april 2009 is het wederrechtelijk verkregen voordeel, verkregen door
middel van of uit baten van deze strafbare feiten berekend op € 120.120,00 en is aan de
verzoeker de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat opgelegd. Dit vonnis is op 19 augustus 2010 onherroepelijk geworden.

Procedure

Het verzoek tot kwijtschelding dan wel vermindering van de ontnemingsvordering is op 27 oktober 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Op 16 december 2025 is van het CJIB een reactie op het ingediende verzoek ontvangen.
De rechtbank heeft op 20 januari 2026 het verzoek ter terechtzitting behandeld. De rechtbank heeft daarbij de officier van justitie, mr. R. Visser, de verzoeker en zijn raadsvrouw, mr. S.P. Koerselman, op zitting gehoord.

Verzoek

In het verzoekschrift heeft de raadsvrouw namens de verzoeker gesteld dat het recht tot
tenuitvoerlegging van de ontnemingsmaatregel reeds in 2018 is verjaard. Primair heeft zij verzocht het gehele aan verzoeker opgelegde ontnemingsbedrag kwijt te schelden en te bepalen dat verzoeker geen verdere betalingen verschuldigd is ter zake van de opgelegde betalingsverplichting. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat sprake is van betalingsonmacht en heeft zij om die reden verzocht de aan verzoeker opgelegde betalingsverplichting te verminderen tot een bedrag van € 2.500,-, althans tot een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag en te bepalen dat verzoeker dit bedrag mag voldoen in maandelijkse termijnen van € 50,-.
Anders dan in het verzoekschrift heeft de raadsvrouw zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de verzoeker niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoek. Het CJIB heeft de betalingsverplichting reeds gesloten wegens verjaring van de tenuitvoerleggingstermijn, waardoor de verzoeker geen belang meer heeft bij zijn verzoek. Subsidiair heeft zij nader aangevoerd dat – mocht de rechtbank oordelen dat geen sprake is van verjaring van de tenuitvoerleggingstermijn – nihilstelling van de ontnemingsmaatregel op zijn plaats is. Meer subsidiair stelt zij zich op het standpunt dat de maandelijkse betaling van € 250,00 moet worden verminderd tot € 100,00 gelet op de draagkracht van de verzoeker. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat de financiële situatie van verzoeker significant is gewijzigd sinds de oplegging van de ontnemingsvordering, dat sprake is van structurele betalingsonmacht en gebrek aan toekomstige draagkracht en dat het blijven handhaven van de betalingsverplichting verzoekers fundamentele recht op resocialisatie en maatschappelijke participatie miskent.

Advies van het CJIB

Het CJIB heeft bij brief van 16 december 2025 te kennen gegeven dat zij de executie van de opgelegde ontnemingsmaatregel inmiddels heeft gestaakt en afgeboekt en heeft geadviseerd de verzoeker niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek. Het CJIB heeft de ontnemingsmaatregel aangeleverd gekregen van het Openbaar Ministerie met een executieverjaringstermijn van zestien jaren. Na controle is niet gebleken dat in de uitspraak is opgenomen dat er sprake is van een grote hoeveelheid in de zin van artikel 11 lid 5 van Pro de Opiumwet (OW), zodat uitgegaan moet worden van artikel 11 lid 2 OW Pro met een executieverjaringstermijn van acht jaren. Het CJIB komt hiermee tot de conclusie dat de ontnemingsmaatregel is verjaard sinds 8 mei 2018.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft verzocht het verzoek in zijn geheel af te wijzen. De verzoeker is op 17 april 2009 een betalingsverplichting opgelegd ter zake hennepteelt en diefstal door middel van verbreking, waardoor de ontnemingsmaatregel bij het CJIB is aangeleverd met een executieverjaringstermijn van zestien jaren, gelet op artikel 70 lid 1 onder Pro 3 Wetboek van Strafrecht (Sr) en art. 6:1:22 Sv Pro. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de tenuitvoerleggingstermijn is gaan lopen op 30 augustus 2010 en die tenuitvoerleggingstermijn van de ontnemingsmaatregel dan ook nog niet is verjaard. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de maandelijkse betaling van € 250,00 moet worden voortgezet tot de executietermijn is verstreken.

Beoordeling

Ontvankelijkheid verzoeker
De rechtbank dient de (voor)vraag te beantwoorden of de opgelegde ontnemingsmaatregel nog kan worden tenuitvoergelegd.
Artikel 6:1:22 Sv Pro (evenals artikel 76, eerste lid, Sr oud zoals dit gold ten tijde van het opleggen van de ontnemingsmaatregel in 2009) bepaalt dat het recht tot uitvoering van de straf of maatregel vervalt door verjaring. Deze tenuitvoerleggingstermijn is op grond van het tweede lid van dat artikel een derde langer dan de termijn van verjaring van het recht tot strafvordering.
De rechtbank stelt het volgende vast. De verzoeker is op 5 augustus 2008 veroordeeld voor – kort gezegd – hennepteelt en diefstal door middel van verbreking. Hennepteelt is verboden bij artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet (OW) en strafbaar gesteld bij artikel 11, tweede lid, OW. Blijkens dat artikel wordt opzettelijke overtreding van artikel 3 onder Pro B OW bestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren. Gelet op artikel 70, eerste lid, onder 2, Sr verjaart de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel opgelegd wegens overtreding van artikel 3 onder Pro B OW dan ook in acht jaren. [1]
Diefstal met verbreking is verboden bij artikel 311, eerste lid, onder vijf, Sr en wordt bestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. Gelet op artikel 70, eerste lid, onder 3 Sr verjaart de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel opgelegd wegens overtreding van artikel 311, eerste lid, onder vijf, Sr dan ook in zestien jaren. [2]
Het ontnemingsvonnis van 17 april 2009 is onherroepelijk geworden op 19 augustus 2010. Echter, tegen het vonnis in de onderliggende strafzaak is hoger beroep ingesteld, waardoor dit vonnis pas onherroepelijk is geworden op 30 augustus 2010. Daarmee is ook het ontnemingsvonnis op 30 augustus 2010 onherroepelijk geworden. [3] De rechtbank is dan ook van oordeel dat de tenuitvoerleggingstermijn van zestien jaren op 31 augustus 2010 is gaan lopen en daarmee nog niet is verjaard, maar onder de huidige omstandigheden pas op 22 februari 2027 (rekening houdend met een opschortingstermijn van 179 dagen in verband met detentie (zie artikel 76a, derde lid, Sr (oud). De verzoeker is gelet hierop ontvankelijk in zijn verzoek. De rechtbank komt hieronder dan ook toe aan de beoordeling van het verzoek.
Beoordeling verzoek
Op grond van artikel 6:6:26 Sv Pro (artikel 577b Sv oud) kan de rechter die de betalingsverplichting heeft opgelegd op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van de veroordeelde het vastgestelde bedrag verminderen of kwijtschelden of bevelen dat een reeds betaald of verhaald bedrag geheel of gedeeltelijk wordt teruggegeven of aan een derde wordt uitgekeerd.
De rechtbank stelt voorop dat, om in aanmerking te komen voor kwijtschelding dan wel vermindering van de opgelegde betalingsverplichting, op de verzoeker de verplichting rust om gemotiveerd en met bewijsstukken onderbouwd aannemelijk te maken dat nu en in de toekomst bij de veroordeelde geen draagkracht aanwezig is en zal zijn om het te betalen bedrag te voldoen.
De rechtbank stelt het volgende vast. De verzoeker is thans werkzaam als zelfstandig ondernemer (ZZP'er) en verricht gedurende twintig uur per week werkzaamheden als huismeester in een wooncomplex voor ouderen. Hij genereert hiermee inkomen en komt sinds het onherroepelijk worden van het ontnemingsvonnis de betalingsregeling met het CJIB na. Het CJIB heeft inzichtelijk gemaakt dat op het ontnemingsbedrag tot op heden in totaal een bedrag van € 10.825,00 is afbetaald door middel van betalingsregelingen, variërend van € 75,- per maand tot € 250,- per maand. Dit maakt dat het de rechtbank niet aannemelijk is geworden dat sprake zou zijn van een situatie van (permanente) betalingsonmacht. Verzoeker heeft onvoldoende met stukken onderbouwd wat zijn huidige financiële situatie is, dat hij betalingsonmachtig is en waarom hij in de toekomst geen draagkracht heeft om de betalingsverplichting na te komen. De rechtbank ziet om die reden geen aanleiding tegemoet te komen aan het verzoek de ontnemingsmaatregel op nihil te stellen c.q. de betalingsverplichting te verminderen.
Het verzoek zal daarom in zijn geheel worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit beslissing is genomen door
mr. K.I.E. Lammers, voorzitter,
mr. C.S. Schoorl en mr. A.K. Korteweg, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. E. Saelens
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 februari 2026.

Voetnoten

1.Zes jaren ex artikel 70, eerste lid, onder 2, Sr vermeerderd met een derde ex artikel 76, tweede lid, Sr (oud) evenals art. 6:1:22 tweede Pro lid Sv.
2.Twaalf jaren ex artikel 70, eerste lid, onder 3 vermeerderd met een derde ex artikel 76, tweede lid, Sr (oud).
3.Ingevolge artikel 557, vierde lid, Sv (oud).