Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Tenlastelegging
2.Voorvragen
3.Beoordeling van het bewijs
4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
“door geweld en/of bedreiging met geweld de pinpas toebehorende aan [adres 1], in elk geval een goed dat aan een ander toebehoorde(n), heeft weggenomen”. Daarbij lijkt de opsteller van de tenlastelegging mede het oog te hebben gehad op de strafbare feiten van de artikelen 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). In de tenlastelegging zijn echter niet de bestanddelen van die artikelen opgenomen dat de wegnemingshandeling is gepleegd
“met het oogmerk om het [goed] zich wederrechtelijk toe te eigenen”(art. 310 Sr Pro) en dat de geweldshandelingen zijn gepleegd
“met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren”. Gelet hierop kan de rechtbank het onder 2 bewezen verklaarde feit niet kwalificeren naar de artikelen 310 en 312 Sr maar enkel op basis van artikel 317 Sr Pro.
5.Strafbaarheid van de verdachte
6.Motivering van de sanctie
7.Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
- gepinde gelden door de verdachten ter hoogte van € 5.800,-
- aanschaf beveiligingssystemen ter hoogte van € 1.296,-
- kosten Securitas ter hoogte van € 234,04
- kosten Remeon (abonnement) ter hoogte van € 3.300,-
- toekomstige kosten Remeon ter hoogte van € 2.805,-
[de rechtbank begrijpt: van paragraaf 14.1. van de Rotterdamse Schaal]. Daarnaast bestaat er volgens de raadsman onvoldoende aanleiding om het bedrag te verhogen met 25% wegens de verwijtbaarheid. Ten aanzien van de materiële schade heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de (toekomstige) abonnementskosten van de beveiligingscamera’s niet voor vergoeding in aanmerking komen wegens het ontbreken van een causaal verband.
8.Toepasselijke wettelijke voorschriften
9.Beslissing
36 [zesendertig] maanden.
[adres 1]geleden schade tot een bedrag van
€ 15.800,-bestaande uit € 5.800,- als vergoeding voor de materiële en € 10.000,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 oktober 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [adres 1], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een van de medeverdachten is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.