ECLI:NL:RBNHO:2026:9021

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
15/093502-26
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 33 SrArt. 33a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling drugskoerier voor invoer van 1,15 kilo cocaïne

De rechtbank Noord-Holland heeft op 7 juli 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen een verdachte die op 27 maart 2026 op Schiphol werd aangehouden met een koffer waarin circa 1,15 kilogram cocaïne werd aangetroffen. De verdachte verklaarde dat hij door een onbekende man was ingehuurd om goederen te vervoeren en dat hij vermoedde dat de koffer drugs bevatte, maar deze niet had geopend.

De rechtbank oordeelde dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op de invoer van cocaïne, omdat hij de aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard dat hij drugs vervoerde. De rechtbank verwierp het standpunt van de officier van justitie dat sprake was van vol opzet.

Gezien de aard en ernst van het feit, de kwetsbare positie van de verdachte, zijn jeugdige leeftijd en persoonlijke omstandigheden, legde de rechtbank een gevangenisstraf van 6 maanden op, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast werd de koffer verbeurd verklaard en werd de teruggave van de inbeslaggenomen telefoon en simkaart gelast.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 6 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest voor invoer van 1,15 kilo cocaïne.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/093502-26
Uitspraakdatum: 7 juli 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 23 juni 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 2002 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in penitentiaire inrichting Ter Apel.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Peters en van wat de verdachte en zijn raadsman mr. J. de Vries, advocaat te Zaandam, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 27 maart 2026 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer al dan niet opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten een hoeveelheid cocaïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, in elk geval aanwezig heeft gehad.

2.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde, namelijk het opzettelijk binnen het Nederlands grondgebied brengen van een hoeveelheid cocaïne.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd aan een bewezenverklaring.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Bewijsmiddelen
De rechtbank komt op grond van de bewijsmiddelen, die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen, en het verhandelde ter zitting tot bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit.
3.3.2
Nadere bewijsoverweging
Op vrijdag 27 maart 2026 kwam de verdachte vanuit Säo Paulo (Brazilië) op Schiphol aan. Bij een douanecontrole werd de koffer van de verdachte geopend. Bij het openen van de koffer roken de douanemedewerkers een sterke chemische lucht en troffen zij in de koffer een blauwe substantie aan. Uit het NFI-rapport van 29 mei 2026 volgt dat deze substantie (in totaal 3,32 kilogram) cocaïne bevatte, met een berekende hoeveelheid cocaïnebase van circa 1,15 kilogram.
De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij in zijn woonplaats in [geboorteland] door een onbekende man werk kreeg aangeboden, bestaande uit het vervoeren van goederen. Voor dit werk moest hij naar Lima. In Lima is voor hem op het vliegveld een paspoort geregeld en werd hem verteld dat hij goederen moest ophalen in Brazilië. In Brazilië werd hem in een hotelkamer een koffer overhandigd met de mededeling dat hij met die koffer naar Nederland moest reizen tegen een vergoeding van 3000 dollar. Daarbij werd hem te kennen gegeven dat hij niet naar [geboorteland] zou kunnen terugkeren als hij de opdracht niet zou voltooien. De verdachte is vervolgens met de koffer naar Nederland gereisd. Hij heeft de koffer vooraf niet geopend of gecontroleerd, maar heeft ter zitting verklaard dat hij wel vermoedde dat er in de koffer drugs zat. Bij aankomst in Nederland is de verdachte aangehouden.
Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat hij cocaïne vervoerde bewust heeft aanvaard. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van voorwaardelijk opzet op de invoer van cocaïne in Nederland. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat op basis van de bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat de verdachte vol opzet had op de invoer van cocaïne.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:
op 27 maart 2026 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.
Wat aan de verdachte onder dit feit meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft daarbij gewezen op de richtlijnen van het openbaar ministerie voor de invoer van meer dan één kilogram cocaïne.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft in de eerste plaats bepleit dat een straf gelijk aan de duur van het voorarrest van de verdachte passend en geboden is. Daarnaast heeft hij verzocht om, mocht de rechtbank tot een hogere straf komen dan de duur van het voorarrest, een aanmerkelijk lagere straf dan gevorderd op te leggen, bij voorkeur deels voorwaardelijk. De raadsman heeft hierbij gewezen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en zijn kwetsbare positie.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Aard en ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het binnen Nederland brengen van 1,15 kilogram cocaïne. Harddrugs, waaronder cocaïne, bevatten voor de gezondheid van gebruikers zeer schadelijke stoffen. Het handelen van de verdachte draagt bij aan de instandhouding van de georganiseerde criminaliteit rondom de invoer en verhandeling van verdovende middelen en de gebruikerscriminaliteit die daaruit voortvloeit. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
De rechtbank weegt in haar strafoplegging evenwel mee dat de verdachte als drugskoerier is ingezet door een organisatie. De verdachte bevond zich in een kwetsbare financiële positie en is naar een voor hem onbekend land (Brazilië) gereisd waarna de druk op hem is opgevoerd om met een koffer door te reizen naar Nederland. De verdachte heeft geen zeggenschap gehad over de inhoud van de koffer en de hoeveelheid cocaïne die zich in de koffer bevond.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De verdachte is jeugdig en is blijkens het Uittreksel Justitiële Documentatie van 18 mei 2026 niet eerder in Nederland veroordeeld voor een strafbaar feit. In [geboorteland] kampt de verdachte met schulden, leeft hij in armoedige omstandigheden en heeft hij een jong gezin waarvoor hij in het levensonderhoud probeert te voorzien.
Strafsoort en strafmaat
De rechtbank is van oordeel dat de aard en ernst van het bewezen verklaarde feit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur rechtvaardigt.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf gekeken naar de oriëntatiepunten zoals deze zijn vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De rechtbank houdt in strafmatigende zin rekening met de rol van de verdachte, zijn persoonlijke omstandigheden en zijn meewerkende houding in het onderzoek.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 6 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, recht doet aan de ernst van het feit en aan de persoon van de verdachte.

7.Bijkomende straf

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten de koffer, dient te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het onder 3.4 bewezen verklaarde feit met behulp van de koffer is begaan.
8. Overige beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen
De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de inbeslaggenomen telefoon en simkaart, omdat het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van deze goederen.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
2 en 10 van de Opiumwet
33 en 33a Wetboek van Strafrecht

10.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het onder 3.4 bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
6 (zes) maanden.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd de koffer met goednummer PL2700-26-027350-7.
Gelast de teruggave aan de verdachte van de telefoon met goednummer PL2700-26-027350-4 en de simkaart met goednummer PL2700-26-027350-5.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. N. Ćulafić, voorzitter,
mr. H.H.E. Boomgaart en mr. N.M.L. Rogmans, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.L. van der Meij
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 7 juli 2026