ECLI:NL:RBNHO:2026:8897

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
HAA 25/3482
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.0a BklArt. 5.2.3 tijdelijk omgevingsplanOmgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing omgevingsvergunning voor uitbouw bedrijfswoning wegens strijd met bestemmingsplan en onevenwichtige functietoedeling

Eisers hebben een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een uitbouw aan hun bedrijfswoning op een perceel met bestemming 'Gemengd-1' en dubbelstemming 'Waarde - Archeologie'. Het college heeft de aanvraag geweigerd omdat de uitbreiding de toegestane oppervlakte van bijbehorende bouwwerken overschrijdt en niet bijdraagt aan de bedrijvigheid, waardoor het plan onevenredige ruimtelijke gevolgen heeft.

Eisers maakten bezwaar tegen deze weigering, maar het college handhaafde het besluit. Eisers stelden dat het college onvoldoende en onzorgvuldig had gemotiveerd, dat de planologische toets onjuist was en dat de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn. De rechtbank oordeelt dat het college zijn standpunt voldoende heeft gemotiveerd en dat de weigering in overeenstemming is met het recht.

De rechtbank benadrukt dat het college beleidsruimte heeft bij de beoordeling van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten en dat het algemeen belang, waaronder het behoud van een evenwichtige toedeling van functies en ruimtelijke ordening, zwaarder mag wegen dan het persoonlijk belang van eisers. Het beroep wordt ongegrond verklaard, en eisers krijgen geen vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de weigering van de omgevingsvergunning voor de uitbouw aan de bedrijfswoning.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/3482

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] en [eiseres] , uit Grootebroek, eisers

(gemachtigde: mr. S. Smit),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stede Broec

(gemachtigden: [naam 4] , [naam 2] en [naam 3] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een uitbouw aan de bedrijfswoning waar eisers wonen. Eisers zijn het hier niet mee eens met. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Eisers stellen dat het college niet in redelijkheid zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet voldaan is aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Tot slot stellen eisers dat het bestreden besluit onevenredige gevolgen voor hen heeft. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning op goede gronden heeft geweigerd. Eisers krijgen geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben een omgevingsvergunning gevraagd voor het bouwen van een uitbouw aan hun bedrijfswoning. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 13 januari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 26 juni 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, vergezeld door [naam 1] , de gemachtigde van eisers en H. Bleeker, R. Mol en A. Olij, namens het college.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en omstandigheden en het bestreden besluit
3. Eisers wonen in een bedrijfswoning aan de [perceel] in Grootebroek (het perceel). De gronden op het perceel hebben de bestemming ‘Gemengd-1’ en dubbelstemming 'Waarde - Archeologie'. Het pand op het perceel heeft de functieaanduiding ‘bedrijfswoning’.
3.1.
Op 8 november 2024 hebben eisers een omgevingsvergunning gevraagd voor het bouwen van een uitbouw aan de bedrijfswoning op het perceel. Met het besluit van 13 januari 2025 heeft het college de omgevingsvergunning geweigerd, omdat op grond van het bestemmingsplan Centrale Zone 40 m2 aan bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak is toegestaan. Er staat op het perceel al een niet vergund bijgebouw van 55 m2. De beoogde uitbouw van 83,7m2 zal deze overschrijding verder vergroten. De voorgestelde uitbreiding draagt niet bij aan de bedrijvigheid. De noodzaak van bedrijfswoningen op een bedrijventerrein is verminderd. De ruimtelijke impact van het plan op de omgeving is onevenredig. Eisers hebben hiertegen op 6 februari 2025 bezwaar gemaakt.
3.2.
Met het bestreden besluit van 26 juni 2025 neemt het college het advies van de bezwaarschriftencommissie over in die zin dat het bezwaar van eisers ongegrond wordt verklaard en het besluit van 13 januari 2025 in stand wordt gelaten onder aanvulling van de volgende motivering. De bedrijfswoning wordt gebruikt in verband met de bedrijfsmatige activiteiten van eisers op en rondom het perceel. De uitbreiding moet echter beoordeeld worden ten dienste van het vergroten van het woongenot en niet ten dienste van de bedrijvigheid waarvoor het bedrijventerrein is ontwikkeld. Zo een uitbreiding acht het college niet passend binnen het algemeen belang. Het uitbreiden leidt tot een aanzienlijke toename van het bouwvolume op het perceel. Het vormt een substantiële afwijking van de uitgangspunten van het tijdelijke omgevingsplan, tast de ruimtelijke opzet van het bedrijventerrein aan en de functionele verhouding tussen werken en wonen wordt verstoord. De bestaande ruimte dient goed ingevuld te worden. De gronden zijn schaars. Eisers kunnen ervoor kiezen om het illegale bijgebouw te verwijderen en daarvoor in de plaats de woning met 40 m2 te vergroten. Een mogelijke vergroting kan dus enkel plaatsvinden wanneer er wordt voldaan aan de regels van het tijdelijke omgevingsplan. Dat eisers van die mogelijkheid geen gebruik maken is hun eigen keuze. Er is geen uitzonderlijk persoonlijke situatie waardoor alsnog medewerking aanvaardbaar is. Er is geen sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan deze locatie.
Toetsingskader
4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van de Ow hebben alle gemeenten van rechtswege een omgevingsplan met regels over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Het omgevingsplan van de gemeente Stede Broec bestaat voor nu nog uit een tijdelijk deel waarin, onder meer, het bestemmingsplan ‘Centrale Zone’ (hierna: het tijdelijke omgevingsplan) is opgenomen.
4.1.
Eisers hebben op 8 november 2024 een omgevingsvergunning gevraagd. Dit betekent dat de Ow van toepassing is.
Heeft het college zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?
5. Eisers betogen dat de aanvraag voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college had de gevraagde omgevingsvergunning moeten verlenen. Ten eerste is het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. Het college haalt oppervlakte en bouwvolume door elkaar en een consistente op de planregels toegesneden toets ontbreekt. Het college heeft namelijk niet beoordeeld waar de uitbouw komt te staan. Ook wordt verschillend gesproken over de uitbouw, namelijk aanbouw/uitbreiding hoofdgebouw versus bijbehorend bouwwerk. Het belangrijkste is dat een locatie-specifieke ruimtelijke beoordeling in het geheel niet is uitgevoerd door het college. Het huidige standpunt van het college voldoet niet aan artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Uit het bestreden besluit blijkt niet waarom een uitbreiding van een sinds 1959 aanwezige bedrijfswoning geen evenwichtige toedeling is. Het bevoegd gezag heeft beleidsruimte om in te vullen wat een evenwichtige toedeling is. Volgens de wetgever en rechtspraak is beoogd om aan te sluiten bij het criterium ‘goede ruimtelijke ordening’. Omdat een onderbouwing ontbreekt is het besluit niet in overeenstemming met het recht. Ten tweede stellen eisers dat het college ten onrechte verwijst naar abstracte beleidsuitgangspunten, waaronder de toelichting op het tijdelijke omgevingsplan en de ontwerp-omgevingsvisie. Het bouwplan van eisers is met geen van de twee in strijd. Ten derde heeft het college een onjuiste planologische toets gemaakt. Het college acht ten onrechte de bedrijfsbinding doorslaggevend. Het toetsingskader is of de afwijking ruimtelijk aanvaardbaar is en leidt tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Eisers hebben meerdere bedrijven op en rondom het perceel gevestigd. Verbetering van de woning draagt uiteraard bij aan de bedrijfsvoering van die bedrijven. De planologische functie van de bedrijfswoning en daarmee het gebruik blijft ongewijzigd. Daarnaast is de aanwezigheid van een bijgebouw geen zelfstandige weigeringsgrond. Verder miskent het college dat voor zover (delen van) de uitbouw binnen het bouwvlak liggen en/of als uitbreiding van het hoofdgebouw moeten worden gekwalificeerd, de 40 m2-norm niet of niet volledig van toepassing is. Tot slot, heeft het college het aantal m2 onjuist berekend. De uitbouw is namelijk 38,7m2 en niet 83,7m2. Het niet-vergunde bijgebouw is geen 55m2, maar 44m2. De uitbreiding is ondergeschikt aan het hoofdgebouw en veroorzaakt geen relevante nadelige effecten op naastgelegen percelen. Aan artikel 5.3 van het tijdelijke omgevingsplan is dan ook voldaan.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat het college zijn standpunt dat geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties draagkrachtig heeft gemotiveerd. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
5.2.
Uit artikel 5.2.3., aanhef en onder a, van het tijdelijke omgevingsplan volgt dat voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen de gezamenlijke oppervlakte van die bijbehorende bouwwerken maximaal 40 m2 bedraagt. Artikel 5.2.3., aanhef en onder a, van het tijdelijke omgevingsplan stelt geen verdere eisen over de locatie van het bijbehorende bouwwerk of de kwalificatie van de bedrijfswoning. Daarbij merkt de rechtbank op dat het desbetreffende bouwvlak meerdere percelen overstijgt. De beoogde uitbreiding van de bedrijfswoning samen met het al bestaande niet-vergunde bijgebouw zijn met de voormelde planregel in strijd. Het maximaal toegestane aantal m2 wordt namelijk overschreden. Dit is ook het geval indien de beoogde overkapping vergunningvrij zou zijn.
5.3.
Het gaat in het onderhavige geval om een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. [1] Het college komt bij de beslissing om wel of niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt daarom niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
5.4.
Het college baseert de motivering in het bestreden besluit op een aantal gemeentelijke documenten, waaronder de toelichting bij het tijdelijke omgevingsplan. Daarin is deels het gemeentelijke beleid opgenomen. Daarnaast verwijst het college ook expliciet naar pagina 21 en 24 van de toelichting. Hoewel deze pagina’s niet letterlijk onder de reikwijdte van het gemeentelijke beleid vallen, is de rechtbank het met het college eens dat dit meegenomen kan worden in de besluitvorming. Daarnaast gaat het hier om een bedrijfswoning, in tegenstelling tot een reguliere woning. In dat kader kan het uitsterfbeleid een rol spelen. Niet in geschil is dat eisers in de bedrijfswoning mogen wonen. Volgens het tijdelijke omgevingsplan is een bedrijfswoning een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of terrein noodzakelijk is. Uit deze begripsomschrijving volgt niet dat de bedrijfswoning moet bijdragen aan de bedrijfsvoering. Dat is niet de maatstaf. Immers, van belang is dat de huisvesting van de personen noodzakelijk is gelet op de bestemming van het gebouw of terrein. Het gaat hier echter om een uitbreiding van de bedrijfswoning en het college heeft beleidsruimte bij de vraag of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit verleend kan worden met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarbij kan het college bezien of de uitbreiding van de bedrijfswoning, onder meer gelet op de omvang, enige binding met het bedrijf heeft. Tot slot merkt de rechtbank op dat het door elkaar halen van termen of verkeerd gebruik daarvan in het bestreden besluit weliswaar een zorgvuldigheidsgebrek is, maar eisers hierdoor niet zijn benadeeld. Het doet daardoor niet af aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
Zijn de nadelige gevolgen van het bestreden besluit onevenredig?
6. Eisers betogen dat het college in strijd heeft gehandeld met het evenredigheidsbeginsel. Het college stelt namelijk dat het algemeen belang zwaarder weegt dan het persoonlijk belang van eisers, maar welk algemeen belang gediend is met deze weigering wordt niet onderbouwd. Ook is niet onderbouwd welke ruimtelijke belangen op deze locatie door deze aanvraag zouden worden geschaad. Bewoning van de bedrijfswoning mag, maar verbetering van die bedrijfswoning mag niet volgens het college. De ruimtelijke uitstraling wijzigt niet, en ook het feitelijk gebruik ter plaatse blijft hetzelfde. De bedrijfswoning blijft bewoond door eisers. De gevolgen van de weigering zijn onevenredig voor eisers.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat het college het algemeen belang zwaarder heeft mogen laten wegen dan de belangen van eisers, en de nadelige gevolgen die eisers ondervinden niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het bestreden besluit te dienen doel. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. In het bestreden besluit heeft het college het algemeen belang en het persoonlijk belang van eisers uiteengezet en tegen elkaar afgezet. Anders dan eisers betogen, vindt de rechtbank dat het college het algemeen belang wel heeft onderbouwd. Het college meent dat het bouwplan ruimtelijk niet gewenst is. Gelet op het aantal bijkomende m2 acht de rechtbank dit redelijk. Het standpunt van eisers dat het slechts om verbetering van de bedrijfswoning gaat is niet te volgen. Het gaat immers om een verruiming van het aantal m2, waarbij de ruimtelijke uitstraling wijzigt. Gelet op het vorenstaande en de toelichting op zitting, heeft het college het algemeen belang zwaarder mogen laten wegen dan het persoonlijke belangen van eisers.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Het college heeft de omgevingsvergunning op goede gronden geweigerd. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. van Keken, rechter, in aanwezigheid van mr. N.G. Dankerlui, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl.