ECLI:NL:RBNHO:2026:882

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
11780380 \ CV EXPL 25-4388
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling openstaande factuur en afwijzing tegenvordering wegens ondeugdelijk werk

Eiser heeft werkzaamheden verricht voor gedaagde en factureerde hiervoor €1.600,00. Gedaagde betaalde niet en stelde dat het werk ondeugdelijk was en schade had veroorzaakt, waarop hij een tegenvordering van €2.574,70 instelde.

De kantonrechter oordeelde dat de overeenkomst enkel zag op het leggen van een kabel in een reeds gegraven sleuf en dat gedaagde onvoldoende bewijs leverde dat eiser ook het graven had moeten verrichten. Klachten over de kwaliteit van het werk werden niet tijdig gemeld en gedaagde had zelf herstelwerkzaamheden uitgevoerd.

Daarom werd de vordering van eiser tot betaling van de factuur met rente toegewezen en de tegenvordering van gedaagde afgewezen. Gedaagde werd veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de factuur met rente en proceskosten, tegenvordering wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11780380 \ CV EXPL 25-4388
Vonnis van 28 januari 2026
in de zaak van
[eiser], H.O.D.N. M. [bedrijf],
te [plaats 1],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: [gemachtigde 1]
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats 2],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde],
verschenen bij: [gemachtigde 2]

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 3 juli 2025, met producties;
- mondelinge antwoord in conventie en een eis in reconventie, met producties;
- de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie, met producties;
- mondelinge dupliek in conventie en mondelinge repliek in reconventie
- de conclusie van dupliek in reconventie.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] heeft in opdracht van en voor rekening van [gedaagde] werkzaamheden verricht.
2.2.
[eiser] heeft op 14 maart 2025 [gedaagde] een factuur toegezonden ad. € 1.600,00 voor de verrichte werkzaamheden.
2.3.
Op 31 maart 2025 heeft [gedaagde] per Whatsapp aangegeven: “
3 putten kapot getrokken. Ik ga sws 1 dag inhouden op de laatste factuur is echt een schande.” Diezelfde dag heeft [eiser] per Whatsapp aangegeven:
“(…) Ga ik niet mee akkoord (…)”waarop [gedaagde] als volgt heeft geantwoord:
“Maakt me weinig of je er mee akkoord gaat of niet. (…)”
2.4.
[gedaagde] is ondanks aanmaning niet tot betaling van de factuur overgegaan.

3.Het geschil

in conventie en in reconventie
3.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de openstaande factuur ad. € 1.600,00 ter zake van de door hem verrichte werkzaamheden, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen, op grond waarvan hij werkzaamheden heeft verricht. [eiser] stelt dat deze werkzaamheden zijn uitgevoerd en dat [gedaagde] daarom gehouden is de daarvoor verzonden factuur te voldoen. Nu betaling is uitgebleven, is [gedaagde] volgens [eiser] in verzuim en moet [gedaagde] ook de buitengerechtelijke incassokosten en rente betalen.
3.3.
[gedaagde] betwist de vordering en betoogt dat hij de factuur van [eiser] bewust niet heeft voldaan, omdat [eiser] enerzijds ondeugdelijk werk heeft geleverd en anderzijds dat bij de uitvoering van de werkzaamheden schade is ontstaan. Hierbij licht hij toe dat [eiser] op zondagavond heeft laten weten dat hij niet meer zou komen. De daaropvolgende dag is [gedaagde] ter plaatse gaan kijken en heeft hij het werk in slechte staat aangetroffen.
3.4.
Volgens [gedaagde] had [eiser] het werk op zijn beloop gelaten. In de week waarin [gedaagde] zelf met de werkzaamheden is voortgegaan, kwamen meerdere gebreken aan het licht. Zo bleek een elektriciteitskabel, die op een diepte van circa 60 centimeter had moeten worden aangelegd, slechts enkele centimeters onder het straatwerk te liggen. Daarnaast waren kolken beschadigd en waren er slordige reparaties uitgevoerd, onder meer door gebruik van plakband. [gedaagde] vordert op die grond in reconventie veroordeling van [eiser] tot betaling van € 2.574,70, vermeerderd met kosten.
3.5.
[eiser] stelt hier tegenover dat de aan hem opgedragen en door hem verrichte werkzaamheden uitsluitend betrekking hadden op het leggen van de kabel. De sleuf waarin de kabel is gelegd, was reeds aanwezig. Een medewerker van [gedaagde]’s opdrachtgever heeft hem meegedeeld dat de kabel direct in die sleuf kon worden gelegd. Hij heeft overeenkomstig deze instructie gehandeld. Voorts stelt [eiser] dat [gedaagde] niet tijdig heeft geklaagd en dat [gedaagde] hem niet schriftelijk in gebreke heeft gesteld. [eiser] betwist ook dat hij schade heeft veroorzaakt. De gestelde beschadigingen aan putten, voor zover daarvan al sprake zou zijn, dienen volgens [eiser] te worden toegeschreven aan werkzaamheden die ter plaatse door een ander zijn verricht. Het graafwerk is verricht door [betrokkene], een medewerker van [gedaagde]. Tenslotte wijst [eiser] erop dat [gedaagde] blijkens een overgelegd WhatsApp-bericht onwillig is geweest om tot een oplossing te komen.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
4.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
De conventionele vordering is toewijsbaar
4.2.
Ter discussie staat of [gedaagde] de door [eiser] verzonden factuur moet betalen.
De kantonrechter beantwoordt deze vraag bevestigend om de navolgende redenen.
4.3.
Uit de hiervoor opgenomen weergave van de stellingen volgt dat partijen in de eerste plaats van mening verschillen over de inhoud van de door [gedaagde] aan [eiser] verstrekte opdracht. [eiser] heeft aangevoerd dat die opdracht enkel het leggen van een kabel omvatte in een sleuf die bij aankomst al was gegraven. Ook heeft [eiser] aangevoerd dat hem door (een medewerker van) [gedaagde]’s opdrachtgever te verstaan is gegeven dat de kabel zonder meer in de bij aankomst aanwezige sleuf kon worden gelegd.
Onder die omstandigheden is het aan [gedaagde], als degene die zich op het standpunt stelt dat de opdracht aan [eiser] ook het graven van de sleuf omvatte, om het een en ander ter weerlegging van dit betoog aan te voeren. De enkele betwisting daarvan volstaat niet.
Dat brengt mee dat het er voor moet worden gehouden dat de opdracht inderdaad niet meer omvatte dan het trekken van de kabel en mogelijk het aansluitend dichten van de sleuf.
4.4.
Waar [gedaagde] in zijn reactie suggereert dat [eiser] het werk niet heeft afgemaakt, maar voortijdig heeft beëindigd, volgt de kantonrechter hem ook niet. Dat betoog is voldoende weerlegd met de door [eiser] als productie 3 (bij conclusie van repliek) overgelegde Whatsapp-correspondentie. De daarin opgenomen communicatie wekt immers de indruk dat partijen informatie uitwisselden nadat het werk was uitgevoerd. Gesteld noch gebleken is bovendien dat [eiser] tot voltooiing is aangemaand, hetgeen bij een plotseling vertrek van een werk in onvoltooide staat voor de hand ligt.
4.5.
Voor zover het voorgaande al niet aan toewijzing in de weg zou staan, wordt opgemerkt dat een behoorlijke ingebrekestelling van [eiser] niet heeft plaatsgevonden, zodat [eiser] niet in verzuim is komen te verkeren. [gedaagde] had [eiser], zodra hij kennis nam van de in dit geding geuite klachten, daarover moeten berichten, hem in de gelegenheid moeten stellen om de situatie op te nemen en, indien hij tot de bevinding kwam dat de klachten terecht waren, herstelwerk uit te voeren. Dat is hier niet (voldoende) gebeurd. [gedaagde] is zelf aan het herstellen geslagen en heeft [eiser] laten weten dat hij “
sws”(de kantonrechter begrijpt: sowieso) een dag op de laatste factuur zou inhouden “
Maakt me weinig uit of je er mee akkoord gaat of niet”.
4.6.
Dit alles voert de kantonrechter tot de slotsom dat de vordering in conventie toewijsbaar is en die in reconventie niet. Dit betekent dat [gedaagde] ook de buitengerechtelijke incassokosten en rente moet betalen.
Proceskosten
4.7.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) zowel in conventie als in reconventie betalen. Omdat de conventionele vordering en de reconventionele vordering nauw verband met elkaar houden, is aanleiding om de kosten in reconventie in dit geval te bepalen op nihil. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
122,35
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
408,00
(2 punten × € 204,00)
- nakosten
102,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
889,35

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.853,97, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 1.600,00, met ingang van 3 juli 2025, tot de dag van volledige betaling,
in reconventie
5.2.
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
in conventie en in reconventie
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 889,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.