ECLI:NL:RBNHO:2026:8707

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
15/085289-26
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 6:2:10 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor opzettelijke invoer van circa vier kilogram cocaïne

De rechtbank Noord-Holland heeft op 9 juli 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen een verdachte zonder vaste woon- of verblijfplaats, die op 22 maart 2026 te Schiphol is betrapt met circa 4 kilogram cocaïne in zijn koffer. De verdachte werd ervan verdacht deze hoeveelheid cocaïne opzettelijk het Nederlandse grondgebied te hebben binnengebracht.

De verdediging stelde dat de verdachte slechts wist dat hij twee kilogram drugs vervoerde en dat er geen opzet was op de volledige hoeveelheid. De rechtbank verwierp dit verweer en oordeelde dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op de invoer van de gehele hoeveelheid, omdat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat er meer dan twee kilogram in de koffer zat.

De rechtbank achtte het bewezen dat de verdachte opzettelijk cocaïne invoerde en kwalificeerde dit als een strafbaar feit onder de Opiumwet. Gelet op de ernst van het feit, de hoeveelheid drugs en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder het ontbreken van een criminele voorgeschiedenis en de druk vanwege familieproblemen, legde de rechtbank een gevangenisstraf van dertig maanden op, met aftrek van het voorarrest.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest voor opzettelijke invoer van circa 4 kilogram cocaïne.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/085289-26 (P)
Uitspraakdatum: 9 juli 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 25 juni 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
nu gedetineerd in Justitieel Complex Schiphol.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. S.P. Visser en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. R.T. Schrama, advocaat te ’s-Gravenhage en waarnemend voor mr. H.W. van Eeuwijk, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 22 maart 2026 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer al dan niet opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten cocaïne, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, in elk geval aanwezig heeft gehad.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat de verdachte dacht dat hij slechts twee kilogram drugs in zijn koffer mee zou nemen. Dat betekent volgens de raadsman dat de bewezenverklaring beperkt dient te worden tot die twee kilogram. Er was immers geen sprake van (voorwaardelijk) opzet van de verdachte op de invoer van de volledige hoeveelheid van circa vier kilogram cocaïne die in zijn koffer is aangetroffen. Voor het overige heeft de raadsman zich met betrekking tot het bewijs gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat en de volgende bewijsoverweging.
3.3.2
Bewijsoverweging
De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van de raadsman dat de verdachte dacht dat hij slechts twee kilogram cocaïne naar Nederland zou brengen, zodat hij slechts opzet zou hebben gehad op de invoer van die twee kilogram. De rechtbank overweegt hierbij het volgende. De verdachte is vanuit Panama City naar Nederland gereisd in de wetenschap dat hij voor anderen cocaïne mee nam in zijn koffer. De verdachte heeft geen onderzoek gedaan naar de daadwerkelijke hoeveelheid cocaïne. Door onder deze omstandigheden een koffer met cocaïne mee te nemen, heeft de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat zich in de koffer een grotere dan de veronderstelde hoeveelheid cocaïne zou bevinden. De verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook voorwaardelijk opzet gehad op de invoer van het gehele aangetroffen gewicht aan cocaïne en kan voor de invoer van de totale in zijn koffer aangetroffen hoeveelheid verantwoordelijk worden gehouden.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij op 22 maart 2026 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, te weten cocaïne, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van het voorarrest.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om bij het bepalen van de strafmaat aansluiting te zoeken bij de nieuwe voorlopige uitgangspunten van de rechtbank Noord-Holland ten aanzien van koeriers op Schiphol. Indien de rechtbank toch uitgaat van de LOVS-oriëntatiepunten, heeft de raadsman verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en deze in strafmatigende zin te betrekken. In dat kader heeft de raadsman erop gewezen dat de verdachte geen organiserende rol had maar slechts een koerier was, dat de verdachte in de veronderstelling was dat hij slechts twee kilogram drugs mee zou nemen, dat de verdachte een
first offenderis ten aanzien van de Opiumwet en op diens kwetsbare persoonlijke positie.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 4.003,4 gram cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit. Ook om die reden worden in de regel forse straffen opgelegd voor de invoer van cocaïne.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 18 mei 2026 van de verdachte. Hieruit blijkt dat hij niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld wegens misdrijven die vallen onder de Opiumwet.
De op te leggen straf
De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen.
Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) met betrekking tot drugskoeriers. Daarbij is de rechtbank uitgegaan van 4.003,4 gram cocaïne, nu dit de hoeveelheid is die is aangetroffen in de koffer van de verdachte. Bij deze hoeveelheid wordt uitgegaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 36 tot 38 maanden. De rechtbank ziet evenwel in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding af te wijken van voormelde oriëntatiepunten. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij onder druk werd gezet om drugs mee te nemen vanwege schulden van zijn familie. De rechtbank acht deze verklaring geloofwaardig, mede omdat de verdachte een eigen inkomen heeft waarvan hij rond kan komen en geen schulden heeft. Daarnaast zijn er geen aanwijzingen dat de verdachte zelf in een crimineel milieu verkeert. De op te leggen straf zal daarom lager uitvallen dan door de officier van justitie ter terechtzitting gevorderd.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden is.
Tenuitvoerlegging
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).

7.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

8.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
30 (dertig) maanden.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. C.S. Schoorl, voorzitter,
mr. I.A. Groenendijk en mr. H.P.H.I. Cleerdin, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffiers mr. R.M. Beekhuizen en mr. T.A.F. Pomper,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 juli 2026.
mr. Cleerdin is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.