ECLI:NL:RBNHO:2026:8694

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
HAA 26/2519
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom graafwerkzaamheden

Verzoekster, eigenaar van een perceel in Haarlem, kreeg een last onder dwangsom opgelegd omdat zij zonder archeologisch onderzoek graafwerkzaamheden uitvoerde in strijd met de omgevingsvergunning. Zij verzocht de voorzieningenrechter om de last te schorsen voor werkzaamheden aan de bestrating of een andere maatregel die bestratingswerkzaamheden mogelijk maakt zonder verbeuring van de last.

De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekster geen spoedeisend belang had bij de voorlopige voorziening. Het onbebouwde terrein kon ook zonder bestrating worden ontdaan van afval en onkruid, en de beslissing op bezwaar werd op korte termijn verwacht. Het feit dat bestrating nodig zou zijn voor renovatiewerkzaamheden werd niet overtuigend geacht, mede omdat deze werkzaamheden pas na archeologisch onderzoek kunnen starten en verzoekster aangaf momenteel geen renovatieplannen te hebben.

De voorzieningenrechter concludeerde dat er geen onomkeerbare situatie dreigde die onmiddellijke voorziening vereiste. Het verzoek tot voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek tot voorlopige voorziening tegen de last onder dwangsom wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26 /2519

uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 juli 2026 in de zaak tussen

de besloten vennootschap
[verzoekster] B.V., uit Haarlem, verzoekster
(gemachtigde: mr. M.N. Mense),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, het college
(gemachtigde: mr. O. Kocak).

Samenvatting

1.1
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de aan verzoekster opgelegde last onder dwangsom inhoudende dat verzoekster op het perceel op de hoek van de [straat 1] / [straat 2] in Haarlem geen graafwerkzaamheden mag uitvoeren in strijd met de geldende regelgeving. Verzoekster is het hier niet mee eens. Verzoekster verzoekt de voorzieningenrechter om bij wijze van voorlopige voorziening de last te schorsen waar die de bestrating betreft of een andere maatregel te treffen die uitvoering van betratingswerkzaamheden op het perceel zonder verbeuring van de last mogelijk maakt.
1.2
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft bij de verzochte voorlopige voorziening. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.3
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Het standpunt van verzoekster staat onder 4 en onder 5 wordt het standpunt van het college weergegeven. De beoordeling door de voorzieningenrechter volgt vanaf 6. Daarbij gaat de voorzieningenrechter in op de vraag of sprake is van een spoedeisend belang. Aan het eind staat de beslissing van de voorzieningenrechter en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2.1
Met het bestreden besluit van 17 februari 2026 heeft het college aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd
.
2.2
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.3
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de heer [naam] , de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Totstandkoming van het besluit
3.1
Verzoekster is eigenaar van een aantal onroerende zaken aan de [straat 1] [nummer 1] en [nummer 2] (kadastraal aangeduid als [kenmerk 1] ) en van een onbebouwd terrein op de hoek van de [straat 1] en de Brestraat (kadastraal aangeduid als [kenmerk 2] ) in Haarlem. Het onbebouwde terrein was tot januari 2025 omsloten door een muur. Op het onbebouwde terrein stonden ook twee bomen. De bomen zijn op 31 januari 2026 gekapt en de stronken van de bomen zijn verwijderd.
3.2
De heer [naam] heeft een aanvraag ingediend voor het renoveren van het gebouw [straat 1] [nummer 2] . Op 16 januari 2025 is de omgevingsvergunning voor het renoveren verleend. In deze vergunning is het voorschrift opgenomen dat een archeologisch onderzoek dient plaats te vinden in de vorm van een opgraving. Voorafgaand aan het archeologisch onderzoek mogen geen bodemverstorende activiteiten beneden maaiveld plaatsvinden.
3.3
Op 17 februari 2026 hebben twee toezichthouders van het college het perceel van verzoekster op de hoek van de [straat 2] / [straat 1] bezocht en geconstateerd dat daar twee grote bakken stonden gevuld met grond en een bak gevuld met stenen en wortels. Ook stond een kleine graafmachine op het terrein. Verder waren bandensporen in het zand te zien. Ook is los metselwerk in de grond zichtbaar. Van hun bevindingen zijn foto’s gemaakt en is een constateringsrapport opgesteld.
3.4
Op 17 februari 2026 is aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd voor het perceel hoek [straat 1] / [straat 2] vanwege het verbod om te handelen in strijd met voorschriften omgevingsvergunning. Verzoekster verricht namelijk graafwerkzaamheden, bodem verstorende activiteiten beneden maaiveld, zonder een daarvoor voorgeschreven archeologisch onderzoek zoals opgenomen als voorschrift behorende bij de omgevingsvergunning. De last houdt in dat verzoekster direct alle graafwerkzaamheden in strijd met de geldende regelgeving moeten staken en gestaakt moet houden. Als verzoekster zich hier niet aan houdt, verbeurt zij bij de eerste overtreding € 10.000,-, bij een tweede overtreding € 15.000,- en bij een derde overtreding € 20.000,-, in totaal € 45.000,-.
3.5
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
3.6
Verzoekster heeft op 19 februari 2026 het college bericht dat zij voornemens is het terrein waar de last op rust deels te verharden, oftewel te egaliseren door ophogen met zand en bestraten. Verzoekster vraag aan het college of die werkzaamheden akkoord zijn. Op 25 februari 2026 heeft het college verzoekster laten weten dat het egaliseren door ophogen en verharden van het terrein zonder archeologisch onderzoek niet is toegestaan. Uitvoering van die werkzaamheden is volgens het college een overtreding van de last.
3.7
Het bezwaar gericht tegen de last onder dwangsom is op 1 april 2026 op een hoorzitting besproken. Er is nog geen beslissing op het bezwaar genomen.
3.8
In een besluit van 19 maart 2026 is de aanvraag voor het aanbrengen van verharding op het perceel van de hoek [straat 1] / [straat 2] niet in behandeling genomen, omdat die werkzaamheden niet vergunningplichtig zijn. Verzoekster heeft het college daarna op 29 april 2026 gevraagd of de werkzaamheden nog steeds onder de opgelegde last vallen. Het college heeft op 30 april 2026 gereageerd dat de last nog steeds van kracht is, maar dat het uitvoeren van archeologisch onderzoek en het herplanten van 2 bomen geen overtreding van de last zijn. Voor het bestraten is geen vergunning nodig, maar de andere verplichtingen op grond van de verleende vergunningen blijven staan, namelijk het archeologisch onderzoek en het herplanten.
Standpunt verzoekster
4.1
Verzoekster stelt dat sprake is van een spoedeisend belang voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening. Het onbebouwde terrein is al langere tijd een dumpplek voor puin door derden. Het college treedt daar niet tegenop. Er zijn (inmiddels) ook ratten en veel onkruid. Het plaatsen van een hoger hek om het onbebouwde terrein is niet mogelijk zonder het slaan van palen en dat laatste is verboden door de last. Om het verwijderen van afval makkelijker te maken, is het bestraten van het onbebouwde terrein nodig. Ook is bestrating nodig om de vergunde renovatiewerkzaamheden uit te kunnen voeren. Verzoekster doelt op het plaatsen van machines en bouwmateriaal voor ontgraving, fundering en het plaatsen van steigers. Ten slotte stelt verzoekster dat de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht omdat het bestraten van het terrein niet in bezwaar naar voren is gebracht en hierop dus geen beslissing zal worden genomen in een nieuw te nemen besluit.
Standpunt van het college
5.1
Het college stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een spoedeisend belang. De beslissing op bezwaar wordt al op korte termijn verwacht. Verzoekster kan het dumpen van afval tegengaan door een hoger bouwhek om het terrein heen te plaatsen. Ook kan verzoekster een archeologisch onderzoek uit laten voeren. Zo’n onderzoek kan snel plaatsvinden.
Geen spoedeisend belang
6.1
De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat gelet op de betrokken belangen vereist. Daarbij gaat het in beginsel om de periode tot aan de beslissing op bezwaar. Bij de vraag of er sprake is van onverwijlde spoed, is van belang of zich gedurende die periode een onomkeerbare situatie zal kunnen voordoen die gelet op de betrokken belangen moet worden voorkomen met een voorziening.
6.2
De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van onverwijlde spoed. Er doet zich namelijk geen onomkeerbare situatie voor die gelet op de betrokken belangen moet worden voorkomen met een voorlopige voorziening. Zonder bestrating kan het onbebouwde terrein van verzoekster ook worden ontdaan van afval en onkruid. Dat dit misschien makkelijker gaat met bestrating, brengt niet met zich mee dat er dus ook een spoedeisend belang is. Daarbij komt dat het college ter zitting heeft aangegeven dat de beslissing op bezwaar op korte termijn wordt verwacht. Dat de kwestie van het bestraten van het onbebouwde terrein niet in het bezwaar naar voren is gebracht, maakt het voorgaande niet anders. Ook de stelling van verzoekster dat bestrating nodig is om de vergunde renovatiewerkzaamheden uit te voeren, leidt niet tot het aannemen van onverwijlde spoed. Met die werkzaamheden kan immers pas gestart worden, nadat onder andere een archeologisch onderzoek is uitgevoerd. Bovendien heeft eiseres op de zitting aangegeven op dit moment niet meer voornemens te zijn om de renovatiewerkzaamheden uit te voeren.

Conclusie

7. Uit het voorgaande volgt dat niet voldaan is aan de in artikel 8:81 van Pro de Awb gestelde voorwaarde van onverwijlde spoed, zodat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is en moet worden afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. de Regt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.W. Martens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.